is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan de breedsprakerige titel veel meer aankondigt dan De Swaen's treurspel geeft, waren zeker niet van den Duinkerkschen dichter.

De Swaen laat zijn treurspel beginnen op 't oogenblik, dal het gerucht van den opstand der soldalen en de uitroeping van Phocas lot aanvoerder in hel keizerlijk paleis te Constantinopel verspreid wordt. De krijgsoversten Philippicus en Pholinus spreken over het voorval. Ofschoon bijna iedereen den Keizer sedert zijne weigering tol vrijkooping der gevangene soldalen, vijandig werd, hebben beide toch nog hunne genegenheid voor hem bewaard. Zij zijn bereid om hem, zelfs ten kosle van hun leven, te beschutten. Zij zullen met den Keizer zelf bespreken wat er dient gedaan te worden om het oproer te keer te gaan (le b., 1« toon).

Zij vertellen hem hoe erg de toestand is, hoe zijne getrouwen met den ouden veldheer Priscus aan hel hoofd, door de oproerlingen vermoord werden en hoe Constantinopel door deze laalslen bedreigd wordt. Mauritius geeft aan Philippicus en Pholinus de noodige bevelen om de stad in staal van verdediging te stellen (I, 2). Daarna smeekt hij God om, wat er ook gebeuren moge, zijn vrouw en kinderen te sparen (I, 3). Conon, een door Phocas uitgezonden verrader, die ten gunste van dezen laatste het oproer binnen Constantinopel bewerkt had, komt listig aan Mauritius vertellen, dat Phocas leedwezen over Priscus' moord gevoelde en dat de soldalen tot bedaren gekomen waren (1,4). Mauritius gelooft hem echler niet en bespreekt verder met zijne hoflieden wat er nog kon gedaan worden om de ramp af le keeren. Narses raadt Mauritius aan eenige toegevingen aan Phocas te doen; men kon hem bij voorbeeld aan 'l hoofd van het leger laten, al ware hel maar tol Theodosius, een der zonen van Mauritius, met de Aziatische troepen zou teruggekeerd zijn. Mauritius vreest echter, dal Phocas met dit voorstel geen vrede zal hebben, hij gevoelt wel dat de opstandeling het op de keizerskroon gemunt heeft (II, 3). Alle onderhandelingen en toegevingen blijken weldra overbodig, want de vijand slaat voor de poorten en bestormt de stad (II, 7). Mauritius wil zijne vrouw en de kinderen op een schip doen vluchten. Constantina wil echler bij hem blijven, om hem in het gevaar bij te slaan. Eindelijk verlaat zij toch de stad met haar kroost, nadat Mauritius beloofd heeft haar le volgen (III, 1, 2). De keizer verlaat echter zijn post