is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gedachten over letterkundige oorspronkelijkheid van De Swaen's tijdgenooten kunnen hier onzes dunkens alleen als verontschuldiging ingeroepen worden, zij kunnen ten hoogste De Swaen's betrekkelijke waarde redden. Onze hedendaagsche letterkundige opvatting velt echler een strenger oordeel en kan niet nalaten als eene zwakheid in het licht te stellen, dat in dit gansche stuk van De Swaen geen enkele toestand voorkomt, die van eenige persoonlijke vinding getuigt.

Dit zelfde gemis aan oorspronkelijkheid moeten wij ook vaststellen in het uitwerken van het karakter der handelende personages. Uit de punten van gelijkenis, die wij hierboven aanhaalden, blijkt dit reeds. Bij Catharina zelf, de heldin van het stuk, treft ons dil nog het meest.

In hare jeugd had zij de wereldsche wetenschappen bestudeerd, maar vond er niels anders in dan « ydel schoolgedruys (*) ». Later vond zij de ware wijsheid iu Christus' leer. Zij zegt het zelf tot de geleerden van Maximijn's hof :

Men sagh my myne jeugt in uwe school besteden Tot kennis van natuer en stellinge der Reden, Maer Reden en Natuer en heeft my niet ontdekt Hetgene tot den wegh der waere wysheyt strekt; Dies heb ik om myn ziel niet vorder te verblinden In Christus reyne leer en needrigheyt gaen vinden, Daer vond ik in het cort hetgeen ik langer socht En 't gene geenen mensen my immer wysen mocht.

(li.)

De goddelijke genade was over haar neergekomen en had voor haar het ware licht doen opgaan.

Den goddelyken geest quam myne ziel aenroeren,

Met een doordringend strael van syn claerblinkend licht

Waer door die waerheyt wiert ontdekt aen myn gesicht.

(UI, i, blz. 53.)

Van dat oogenblik af behoort zij aan God alleen, hij is haar eenige trots,

(*) Catharina (II, 1, blz. 8).