is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spelen (*). Egmond en Oranje prijzen zijn vaderlijken omgang met het volk, zijne edelmoedigheid, zijne zielegroolheid en zijne dapperheid (1, I). Philibert getuigt, dat de ziekte van den Keizer het heele volk diep treft, zij « beroert het raedthuys », « becommerl de gemeente » (II, 2, v. 12), « verbaest de borgery » en « ontrust heele steden » (id., v. 20), immers zijn onderdanen beminnen hem « als naturelycke kinderen » (id., v. 16), en niet één, die niet « syn bloet sou geven tot toevingh en behout van een soo dierbaer leven » (id., v. 18-19).

Buiten deze zeer algemeene trekken, wordt on6 over Keizer Karel's per^ soonlijkheid niets medegedeeld.

De zoo typische figuur van Filips is bij De Swaen een raadsel. Philibert prijst hem als een uitstekend vorst, den « waeren soon van sulk eenen vader » (II, v. 60), en beweert, dat het volk zich troost in 't vooruitzicht van Keizer Karel's verlies omdat het lol hem Filips tot opvolger verkoos (II, v. 63-64). Ook Maria van Hongarije stelt Filips voor als een idealenvorst (V, 1, v. 1-20). Is dat De Swaen's oordeel, was Filips werkelijk zoo, of spreekt Philibert alleen als een vleiende hoveling en Maria als een vooringenomen tante? Egmond en Oranje spreken in gansch legenovergestelden zin. « Hoe seer verschilligh is den vader van den soon ! » (I, 51), oordeelen deze. De zoon is « ydel door syn nakende oppermacht » (I, 55), en « terwyl den vader voor sigh self niet eygen heeft » schijnt het, « dat den soone niet dan voor sigh selven leeft » (I, blz. 59-60). Alweder rijst dezelfde vraag; dacht De Swaen zoo over Filips of is dit enkel vijandige taal van Egmond en Oranje? Deze vragen schijnen wellicht vreemd, maar het gemis aan karakteristiek in Filips' persoonlijkheid is hier zoo volslagen, dat deze vragen zich van zelf opdringen. Met De Swaen's stuk kan er niet op geantwoord worden.

De karakters van Egmond en Oranje zijn zeker de beste van het stuk. Wij blijven er wat langer bij stil, ook omdat wij eenige beschouwingen van Looten over die karakters willen tegenspreken (a). Den Keizer dragen de beide Nederlandsche edellieden eene ongeveinsde

(<) Ed. Looten, De Zedighe Doot, Voorrede, blz. 12. (9) Idem, lbid., blz. 15.