is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die De Swaen in zijn tooneelmonologen aan den vorm besteedt, en de bekommering, die hij daar gedurig vertoont om alles rhetorisch mooi te zeggen, nog een voorsmaak van zijn lyrisch didactische poëzie.

Dit mooi-zeggen is nu juist de eenige verdienste van De Swaen's tooneelstukken. Moeten wij ze als geheel veroordeelen, toch kunnen wij er heele reesems sierlijke, welluidende verzen uit aanhalen, maar betreurende met P. van Duyse, dat deze « schoone verzen alleen het schoone treurspel niet kunnen uilmaken q ».

Er ligt een onbetwistbare adel in de volgende onderwerping van Mauritius aan Gods almacht:

Gy die geheel den al bestiert naer uwen wil En alle uytwendige beroerten altyt stil, En ongestoort doorstaet: gy die de tegenwichten Van rampen en geluk beswaren cont en lichten Met eenen oogewenk : die aller scheps'len lot In uwen eeuw'gen raet geschikt hebt: grooten Godt! By wiens almogentheyt en eyndeloose waerde Al 's werelts grootheyt is gelyk wat stof en aerde : Gy hebt my in gesach, geluk en mogentheyt Verheven, mynen troon door glans en majesteyt Verheerlykt boven al des werelts koninkrycken. 'l Beliefd' u myn geslacht en stamme te verrycken Met kindren soet van aert en edel van gemoet: 't Beliefd' u myn gesin met vollen overvloet Van aerdsche goederen te zeg'nen. Al die gaven Uyt deernis my gejont, den minsten van uw slaven, Syn d'uwe; in uwe hant is gheel myn rust en macht, Myn scepter, kroon en ryk, myn leven en geslacht, Gelyk 't al van u quam soo moet het naer u keeren.

(1« bedrijf, 4e tooneel.)

De verzen, waarin Keizer Karei zijn weifelenden zoon Filips aanwakkert om niet te versagen en zijn vertrouwen in God te plaatsen, verloonen zeker

(4) P. van Duyse, Rederijkkamers in Nederland. A. Siffer, Gent, I, blz. 288 (Over de Zedighe Doot).