is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

avonturen geweest zijn, die hem in den lapperskelder bracht (II, 8, blz. 310). In de uitgaaf van 1718, die volgens ons de oudste lezing van het stuk bevat, had De Swaen Keizer Karel's voorliefde voor eenvoudige volksvermaken en zijn afkeer voor de weelde der groolen nog duidelijker uitgedrukt. Daar lezen wij onder anderen de volgende verzen over de vastenavondvermaken der edellieden :

lek walge van de pracht, Waernae den Edeldom in syn verheuging tracht, Het schynt of nu voortaen sich niemant kan vermaeken, Dan in de mommen', waer Venus diertjens blaecken, Door 't mommers backuys als serpentjens vol fenyn, Waer beursen vol van gout op kaert te stellen syn, En ander wulpsheyt meer, met welcke sy verquisten Meer dan hun toebehoort... (*).

De Keizer verheugt zicht in de genegenheid, die het volk hem toedraagt.

Gerust, en sonder wapen, Sou ik in d'armen van den minsten borger slapen. Ook ben ik hem soo lief, dat my een ieder, niet Als vorst en Keyser, maer als synen vaer aensiet (2).

Het volk, langs zijn kant, heeft vast vertrouwen in de gerechtigheid van den Keizer:

Hy vonnist geene saek dan in den rechten regel, En, voor de waerheyt blykt, hy drukt noyt synen zegel. Geen insicht van syn baet, geen vrient nogh maetschappy Geen staets nogh lants verschil, geen oogen-luykery Comt in de vierschaar, waar hy neder is geseten (5).

Ons laatste personage, Ambroos, verdient een gansch bijzondere melding. Als handelend personage in het stuk is hij van geender beteekenis, indivi-

(1) Uitg., Meyer. Gent, blz. 54.

(2) III, 3, blz. 90.

(3) V, 1, blz. 39.