is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duëele karakteristiek verwent hij al even min en nochtans zijn wij overtuigd, dat De Swaen dit personage in de Gecroonde Leerse niet had willen missen. Ambroos is immers de zedenprediker van het stuk. Al de andere personages leven zonder achterdocht bet goedgulle leven zooals 't zich voordoet, zij breken zich het hoofd niet met beschouwingen over bon doen en laten, God schept den dag en zij gaan er door. Ambroos daarentegen redeneert over alles wat hij hoort en ziet en discht ons dan zijne stichtelijke bespiegelingen breedvoerig op, meer buiten dan binnen het verband van het stuk. Dergelijk personage was in een stuk van De Swaen, den door-geloovigen dichter wiens oordeel over den moraliseerenden invloed van de poëzie wij kennen, een onontbeerlijk iets.

Onder de wijzigingen, die De Swaen aan zijn werk toebracht in 1706 (uitg. Looten), behoort de versterking van de zedemeesterende rol van Ambroos. In het tweede bedrijf (7e toon.) voegt hij er zeven en twintig verzen aan toe (van 289 tol 316) en in het vierde bedrijf (1" toon.) nog vijf en twintig (van 55 tot 80). Wij weten, dat De Swaen's vroom-ernstige levensopvatting steeg met de jaren en verwonderen ons dus niet over die wijzigingen. In de eerste lezing van de Gecroonde Leerse verklaart De Swaen in de voor-reden, dat « blytschap en genucht, 't eenig oogwit is van dees clucht » (blz. i). Later overleg zal hem de ijdelheid van dal oogwit hebben doen inzien, want in de verbeterde lezing van 4 706 is dit oordeel uit de voor-reden verdwenen. Voor De Swaen was de zedeles de pit van het werk, zelfs in een klucht, en daarom was Ambroos in zijn oogen een zeer gewichtig personage in de Gecroonde Leerse.

De taal van Ambroos is bovendien heel verschillend van die der overige personages. Soms heeft hetgeen hij zegt de bekoorlijkheid van een gevleugeld dichterwoord. Sprekende over Keizer Karefs zonderlingen gril om met de lappers te gaan eten, zegt hij :

't Is soo gelegen met verhevene verstanden Als met de gnlde son; sy daelt somwylen neer Uyt haeren middagh in een nevelachtigh weer (*).

(■) II, 8, blz. 311.