is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij' verwachtten waarlijk geen dergelijke beeldspraak in een schoenlappersklucht. Ambroos is als het ware De Swaen zelf. die door het stuk wandelt en zedelijke rijmwerken voordraagt.

Ambroos ziet Maeyken op de markt den heerlijken kapoen koopen en al dadelijk heeft hij daar zijn reesem bespiegelingen op gevonden.

Hoe slecht de tyden syn, hoe seer men schraeft om geit,

Hoe raer de munte sy, men siet se noyt ontbreken

Op markten. Ieder comt daer moedigh aengestreken

Met geit in d'hant. Hoe veel dat braetvercken ? dat hoen ?

Dat koppel haenden ? dien faysant ? die kalckoen ?

Hoe veel die quackels ? die boschsnippen, die patrysen ?

Hoe veel dat brugs kappoen ? Soo jaegt te diere prysen

Den een den ander op. Veel houden 't wilt in d'hant

En staen met open beurs, gereet om 't lecker pant

Waerna hun herte gaet, met silver op te wegen.

Niet schynt er hen te dier, om hunne lust te plegen :

't Sy koop of ambachts-man, 't sy ryck of aerm gesel,

Elk past op leckerny. Dien seght, 't smaekt my soo wel

Als 't aen de groote doet; en als 't lot can bestellen,

Ik wil myn mage niet van lusten laten quellen.

Verfoeyelyke drift, die al de werelt stookt.

Waer syn de tyden nu, wanneer men met gekookt

Karoot en rape-moes, met peen, en pastenaken,

En groen, en kruyden wierdt gevoedt; niet om de smaken

Te strelen, maer om 't lyf in cracht te houden staen ?

Wat breek ik hier myn hooft ? dien tydt is langh vergaen;

Men peyst nu niet meer op wat aen het lyf can kleven,

Maer op wat aen de smaek kan vergenoegen geven.

Men siet nu niet meer in, nogh stam, nogh staet, nogh macht,

Elk volgt syn leckerny, in overdael, en lacht

Met d'oude zeden van voorleden eeuw en tyden.

Siet, een lapper can se selven niet verblyden,

Of moet kappoene-vleys op syne tafel sien (*).

Ambroos maakt den indruk van een onverbeterlijk praatziek mensch. Er

(i) 11, 8, blz. 266 e. v.