is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koml geen eind aan zijn stichtelijke uitweidingen. Keizer Karel's inval om met Teunis' familie te eten geeft hem als tekst de onverzadelijkheid en ontevredenheid van het menschelijk hart en even spoedig krijgen wij hierover twintig alexandrijnen met Calsiaansche en Poirtersche bespiegelingen (II, 1, blz. 38 e. v.). Ambroos zelf vindt, dat hij wat breedsprakig is; « maer 'k blijf hier lange staen » (II, 1, blz. 61) verontschuldigt hij zich. Dat bewustzijn van zijn gebrek verbetert hem echler niet. Den schrik voorziende, dien hij bij Teunis zal verwekken door zijn dagvaarding voor 't hof, wijdt hij een dertigtal verzen aan het gemis aan vooruitzicht der menschen in hun vreugde (IV, 1, blz. 21 e. v.). Nogmaals wordt Ambroos zijn langdradigheid gewaar.

Maer, met die sede-les, vergeet ik 's keysers orden : Ben ik dan van huyssier een predyker geworden (*) ?

Wal is nu het gevolg van deze zelfvermaning ? Eene verbetering ? Verre van daar, Ambroos zou Ambroos niet zijn! Wij krijgen hierop een nieuwe dissertatie van vijf en twintig verzen over de zucht der menschen om zich met andermans zaken te bemoeien (IV, 1, blz. 55 e. v.).

De Swaen betitelde de Gecroonde Leerse zelf als « kluchtspel ». Voor zijn tijdgenooten in alle deelen der Nederlanden verkreeg hij aldus in zekeren zin het recht om allerlei gemeene grofheden en hansworsterijen op het tooneel te brengen en zijn personages een onkiosche, platte taal te laten spreken. Het was hem toegelaten den bouw van zijn stuk te verwaarloozen ja gansch over het hoofd te zien. Het Nederlandsch publiek van dien tijd verlangde immers van een kluchtspel alleen, dat het hem met gemakkelijken, luiden lach de tooneelzaal deed vullen.

Welvoegelijkheidshalve stippen wij hier niet alles aan wat de Nederlandsche comische tooneeldichters der 17e eeuw aan hun toeschouwers bestonden te laten hooren en zien. Willem Diederikz-Hooft, die een van zijn helden in een a sekreet » laat vallen en hem, daaruit gered, opnieuw

(•) IV, 1, blz. 53.