is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het tooneel laai betreden en... doorgeuren, leverl daar nog niet het stoutste stuk (4). De ongesluierde taal, die Ogier door zijn helden laat gebruiken, in Onkuysheyl bij voorbeeld, gaat al onze begrippen van taalvrijheid te boven. Stukken, die alle intrigue en alle begrip van tooneelbouw misten als die van A.-B. Leeuw, M. Fockens, Ogier en anderen gaven geen den minsten aanstoot aan de goedwillige, lachlustige toeschouwers.

Het valt in 't oog, dat De Swaen zich veel strenger eischen stelde bij het schrijven van zijn kluchtspel. Onze ontleding der karakters bewijst, dat er in die eenvoudige klucht al heel veel van een karaktercomedie, van een waar blijspel steekt. Teunis, Maeye en Joren zouden stellig goed figuur maken in een comedie. De comische middelen, die De Swaen gebruikt zijn ook, voor zijn lijd van goed allooi. Joren, die wijn giet in de ooren van den slapenden Kosen (III, 7) of den driepikkel, waarop deze laatste zit omverrukt (IV, 4), en Ambroos, die ongezien de glazen en de borden ledigt (III, 7), handelen al niet fijner dan foorehansworsten, dat geven wij gaarne toe, maar wat leuke tooneeltjes lusschen Teunis en Maeye, tusschen Kosen en Jakelijn en anderen wegen tegen die toegevingen aan den onontwikkelden volkssmaak op. Ook in opzicht van samenstelling staat de Gecroonde Leerse boven het gewone peil der zeventiende-eeuwsche kluchtspelen. De Swaen met zijn classieke vorming moest natuurlijk meer vergen van de architektuur zijner stukken dan zijn in den regel minder ontwikkelde vakgenooten, dan een Ogier bij voorbeeld, die « nogh van reghels, nogh van goed of slecht gedicht (2) » iels wist, toen hij begon le schrijven en in nagenoeg al zijn stukken zijn personages dan ook als het ware willekeurig, zonder reden of noodzakelijkheid, laat op- en aftreden.

De Swaen richt in een berijmde uitspraak over een prijskamp, uitgeschreven door den deken der Rhetorica te Duinkerke in 1704, een bijzonder woordje van lof tot « een soelaerdigen snaekdichter », die de prijsvraag al schertsend behandeld had. Wij zijn, na de lezing van de Gecroonde

(i) Andrea de Pier, peerde kooper. Vert., 1628, nog herdrukt, 1646.

(9) G. Ogier, De Seven Hoofl-sonden. Amsterdam, De Groot, 1682, blz. 202.