is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leerse, geneigd om het bevallige versje van De Swaen op hem zelf toe te passen.

Gy, die weet soo wel te spoken,

Op bequame tyd en wys, Kont niet tegen syn gesproken

En syt waerlyk « Altydt wys » (*). Wel te boerten is een konste,

Die aen weynigh eygen is, Veele slaen al boerten mis

•En verliesen ieders jonste. 't Is voorwaer een schrander man,

Die met soetheyt boerten can (*).

Buiten het genoegen, dat de Gecroonde Leerse ons verschafte door de hierboven geprezen eigenschappen, vonden wij ook nog groot behagen in ontelbare bijzonderheden betreffende volksgewoonten en -gebruiken, die in dit stuk voorkomen. Geen enkel der hoogdravende, ernstige spelen van De Swaen levert dat belang op. Daar verkeert de schrijver in een kleurlooze boekenwereld, verre van alle levenstrouwe natuurlijkheid. De helden, die daar handelen, leven alleen in zijn hoofd. Hier is hel gansch anders gesteld. Langs de haven van Duinkerke, op zijne ziekenbezoeken, op de markten, bij de rederijkers heeft De Swaen het volkje zijner Gecroonde Leerse gezien en gesproken. Hij heeft er hun kwinkslagen, hun levensbeschouwing, hun kibbelpartijen, hun vermaken, met een woord hun gansche doen en laten waargenomen en zoo is de Gecroonde Leerse een belangrijk cultuurbeeld geworden. Het is overigens een algemeen verschijnsel, dat het kluchten blijspel in onze litteratuur als cultuurhistorische bron veel grooter beteekenis heeft dan de tragedie. Willen wij ons oud Nederlandsch volk leeren kennen, dan moeten wij in de eerste plaats de middeleeuwsche boerten, de kluchten van Breero, Langendijk, Ogier en andere comische looneelschrijvers raadplegen.

(•*) Kenspreuk van den bekroonden dichter.

(2) Hs. van het Comité flamand de France, nr 10. Prijskaert uytgegeven door Sr Pieter van den Heede...

21