is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in onze volksliederen der 45" en 16" eeuw zulke gewichtige rol spelen R, op het einde der 47" eeuw hun slechte faam nog niet verloren hadden. De gruweldaden der huurtroepen van Lodewijk XIV, onder bevelhebbers als de wegens zijn wreedaardigheid legendarisch geworden hertog van Luxemburg (2), zullen daartoe niet weinig bijgedragen hebben. « 'k Had liever, dat men my met eenen ruyter knochte » (11, 6, blz. 497), dan dat ik Kozen zou trouwen, verzekert Jakelijn. De gezellinnen, die de ruiters op hun oorlogstochten volgden, wisten immers aan welke onaangenaamheden zij zich bloot stelden in het kampementsleven; en menig meisje, dat daartoe aanzocht werd, zal evenals Jakelijne dergelijke partij beschouwd hebben als de laatste, waartoe zij besluiten zou.

De Swaen herinnert verder aan een aloud gebruik, dat nog op sommige markten van Vlaanderen in zwang is. In 't geval twee personen dezelfde waar verlangen, wordt degene, die 't eerst zijn geld toont,,als kooper beschouwd, zelfs al bood de andere een hooger prijs aan. Dit is de zin van de volgende woorden, die Jakelijne lot hare moeder richt :

Gy trok van pas, In 't toeslaen van den koop, het geit uyt uwe tas, Want eenen grooten heer quam achter ons, al sluypen, Ten nyfersten gesint, om u te onderkruypen (3).

Ook op het gebruik van den kerfstok bij het koopen op crediet wordt gezinspeeld door Maeye, die «noyt iet op den kerf gehaelt had ».

Uil de Zeven Hooftsonden van Ogier kenden wij reeds de slechte faam der Antwerpsche Lepelstraat, waar op bevel van de magistraal al de hutzen van ontucht bijeen gebracht werden (4) en bleven van de 46e tot in het begin der 49e eeuw. Ogier maakt herhaaldelijk gewag van de « Meyskens van der gilde uit de Lepelstraat (s) ». Joren's toespeling op die beruchte

(1) G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen. Leiden, 1884, blz. 388 e. v.

(2) D" Anton Kippenberg : Die Sage vom Herzog von Luxemburg. Leipzig, 1901

(3) II, 2, blz. 65, e. v.

{*) Thijs, Geschiedenis van Antwerpen, blz. 530. (5) G. Ogier, De Zeven Hooftsonden, blz. 106*en 133.