is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straat (II, I, blz. 20) bewijst, dat haar faam in de Nederlanden niet alleen plaatselijk was.

Naar aanleiding van hetgeen Joren vertelt over den oudsten burger van Rrussel en de kracht van zijn water om de opgewekte liefde te blusschen (III, 7, blz. 47 e. v.), vragen wij ons af of wij die eigenschap van "t water alleen aan De Swaen's verbeelding moeten toeschrijven of wel of De Swaen ook niet de echo was van de levende volkssage.

Nu wij de waarde van de Gecroonde Leerse als spiegel van volksche gebruiken en opvattingen bespreken, willen wij de enkele trekken, die ons in dit opzicht in de andere werken van De Swaen troffen, hier ook even vermelden. De plaatsen, die een folkloristisch belang opleveren zijn niet talrijk in De Swaen's overige werken, maar zij verdienen daarom niettemin onze aandacht.

In een Raedseldicht op het stroo treffen wij de volgende bijzonderheden aan :

Dan bondt de boeresoon daer mede syne schoen, Wanneer hy over 't ys naer Stadt of Dorp moest spoen. Dogh, om noch meerder proef van synen smaedt te geven, Dat stroey dat in syn aer het steunsel droegh van 't leven, Reteekent nu de doodt en doodelyck ghetreur, Wanneer men 't in de Stadt siet liggen voor de deur. Dat meer is, als het Lyck wordt nae de Kerck gbedragen, Men stroeyt het voor den voet van Vrienden ende Magen, Daer doet het ieghelyck inwendigh dit vermaen, Ghelyck uw vriend verginck, soo sult ghy oock vergaen (*).

Het hier bedoelde gebruik van het stroo bij sterfgevallen wordt nog op andere plaatsen bij De Swaen vermeld (2); het is heden nog met eenige afwijkende toepassingen heel Vlaamsch-België door bekend (3).

In een ander Raedseldicht op de kersouw vinden wij een plantenlegende, die wij in onze speciale werken niet aantroffen. De tijdgenooten van

(t) Zedelycke Rymwercken. Duinkerke, Labus, blz. 79. (-) lbid., blz. 77 en 94.

(3) De Cock, Volksgeneeskunde, blz. 337; Revue des traditions populaires, 1893, blz. 109; Biekorf, VI, blz. 323; Ons Volksleven, VIII, blz. 18.