is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze eigenaardige vermenging van godsdienstige beschouwingen en realistische trekken, het voorstellen van Jesus en Johannes in hun moeders schoot alleen, zou reeds zeker bij een bedendaagsch kunstenaar iets oneerbiedigs verraden. Evenals de middeleeuwsche volksdichters vond De Swaen daar geen aansloot in. in zijn innige vroomheid vermoedde hij niet eens, dat een dergelijke voorstelling iets oneerbiedigs of comisch in zich kon bevatten.

Naast al deze trekken, die aan de volkskunst herinneren en op De Swaen's didactische lyriek zulken overwegenden invloed oefenen, treft ons in de eerste plaats de sterk ontwikkelde natuurzin waarvan de Duinkerksche dichter herhaaldelijk blijk geeft. Een zonnig landschap, het rijzen en dalen der zon, een bloeiende tuin, het gezang der vogels, de drukke bedrijvigheid der insekten, het wisselend spel der zee bij kalmte en storm en welke andere natuurverschijnsels ook vermochten het De Swaen's dichterlijke snaar le doen trillen.

Te oordeelen naar hetgeen onze dichter over twee zijner personages zegt, moest de natuur op hem een diepen indruk maken, zij moet hel vermogen gehad hebben om in hem onrust en kommer te stillen. Na Jesus' begrafenis begeven zich twee zijner leerlingen naar het slot van Emmaüs om er rust le zoeken voor hun gemoed, na de hevige ontroeringen, die ze beleefd hebben.

Sy sochteii hun gedacht, belemmert met veel sorgen, , l'Erstellen in het groen, op 't rysen van den morgen. Ook hadden sy 't wel voor, tyd, landstreek en saysoen, Geleeken t'saem geschikt, om desen dienst te doen (l).

Hierop onlvouwt de dichter een kleurig lentetafereel met duizend geurende bloemen, waar de zephir over been dartelt, naehtegatenzang, murmelende bron, wijngaarden, weiden en bosschen.

De stemming waarin een heerlijk lentelandschap hem zelf brengt, weet De Swaen soms met waren kunstzin in zijn werk te verwekken waar het

(<) Leven en Dood van Jesus-Christus, 2e deel, 26e gez.