is toegevoegd aan uw favorieten.

Nestor de Tière, de baanbreker van het realisme op het Vlaamsch tooneel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een realist uit één stuk. Neen, De Tière's kunst is onderhevig geweest aan de wetten van de evolutieleer : een evolutie vraagt tijd, moet geleidelijk, zachtjes aan, dragen, vooraleer ze zich openlijk mag of durft verklaren in volle rijpheid. Weinige schrijvers kunnen zich onttrekken aan den invloed van den tijd en aan de kunstuitingen rondom hen in leven...

In 't begin straalde zijn kunstopvatting slechts aarzelend en flauw schemerend door, genoeg toch opdat liet opviel, op tegenkanting stuitte of met blijdschap werd gehu'.digd, zoodat aldus de eerste stukken geschreven zijn in half romantischen, half realis'tischen trant, werkelijkheid voorstellen met ietwat poëtische bestanddeelen soms verwerkt (1) ; maar ze groeide daarna langzaam aan. nam in hevigheid toe en trad in 1892 ineens op, plots, gewéldig-brutaal, vrij en vrank in volle rijpheid, latende ver na zich het theater van Dandois, Bruylants vader, Van de Sande, en tientallen van schrijvers meer. Het publiek juichte en huldigde den jongen schrijver: zijn werken immers borrelden over van gloedvolle emotie; zijn actie werkte machtig tragisch...

« Laat De Tière's werk thans zoowat uit de mode geraakt zijn, de tijd zal dat werk op zijne rechte plaats zetten, namelijk de eerste in de geschiedenis van ons Vlaamsch Tooneel. Want D'e Tière was op dat gebied een baanbreker. Pourris de litterature, als we zijn, hebben wij hem niet gevolgd; we wilden mooi tooneelschrijven en brandden onze vingers aan Ibsen, aan Maeterllinck, dien vulkaan, dat gaspitje. En De Tière staat daar nu alleen.

« Hij ware verder opgeraakt, hij zou ons Tooneel naar veel hooger opgebracht hebben, indien hij, aangemoedigd door zijne broeders naar den geest, bij ons de waardeering hadde gevonden, waarop hij recht had. Doch steunende op de immer dankbare be-

(1) lef Mennekens schrijf! ergens hierover onder meer :

" Een baanbreker is Nestor De Tière voorzeker geweest en da is geen kleine verdienste. Maar men breekt niet zoo ineens met het verleden at. Het verleden zit in ons. We wiilen er ons van losmaken ; we streven naar het nieuwe, maar door onze arbeid heen, kronkelen verraderlijke strepen : het oude heef! meegewerkt. En dan, eer we onze "sturm und drangperiode,, doorgemaakt hebben, zijn we nog aan aarzelingen onderhevig, zwakheden, die ons later worden aangerekend „