is toegevoegd aan uw favorieten.

Nestor de Tière, de baanbreker van het realisme op het Vlaamsch tooneel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— « Zoudt gij nog kunnen zingen wat gij zooeven zongt ? »

<( Ja, » maar de knaap zong, (ibezong»nu gansch iets anders; zijn vader was gestorven, moeder bleef alleen zitten met twee kinders; moeder was zoo goed

Eenieder was fel1 bewogen. Eene der jonkvrouwen kustte het kind.

« Mijn verhaal is ten eindö!... zei De Tiere. Wat het bevat is het uitgangspunt van het onderwerp der Kapel.

« Hoevelen, voegde hij er bij, bezielt in onzen zoo materiëelen tijd, het «rein» gelooven, welkdanig de «aard» van t gelooven weze ? Geloof in de humaniteit, geloof in de broedermin, geloof in de zelfopoffering, geloof in de bronzuiverheid der liefde, die man en vrouw vast verbindt, geloof ;n een hooger ideaal.

De tegenstelling met den edelen natuurknaap viel niet lang te zoeken tot het uitdenken van een operapoëma.»

De Tière leverde zijn « Kapel », die we samenvatten als volgt :

Na ons den jeugdigen knaap getoond te hebben met zijn diep geloof, ingegeven door zijne groote liefde voor zijn moeder, alsmede de zielsblankheid bij dit natuurkind, treden in het stuk als tegenstelling op, een paar jonge verliefden, hij student, zij meisje, tot een zeer goede familie behoorend.

Hun onbluschbare liefde werd door hunne halsstarrige ouders tegengewerkt, gedwarsboomd en ze ontvluchtten de ouderlijke woning. Alle hinderpalen zijn thans uit den weg en ze kunnen hunne hartstóchten vrijen teugel geven, maar zooals het in zulke gevallen dikwijls gebeurt, leidt deze al te groote en onverhinderde vrijheid, tot overdaad, zoodat de verliefden welhaast een soort afkeer krijgen voor hunne eigen gevoelens; ze beseffen dat hunne neigingen niet zuiver zijn en wat ze voor liefde namen, alleen de spontaan opwellende uitbarsting is van hunne jeugdige, niets ontziende en onbezonnen passies.

Als ze tot dit bezadigd besef zijn gekomen, doen ze de droeve ontmoedigende vaststelling dat hunne beperkte bestaanmiddelen bijna utgeput zijn. De ring, door den jongen aan zijne beminde als liefdepand geschonken, moet in betaling gegeven worden bij den hotelhouder van het dorp.

Uitgehongerd en ontmoedigd dwalen zij de eenzame bosschen door. Hevige twist ontstaat; bittere verwijtingen worden naar elkanders hoofd geslingerd, zoodanig dat in blinde razernij ontstoken, de jonge student dreigend de hand verheft !

De ongelukkige barst in luide snikken los, en hij, dié thans oprecht beseft wat hij heeft misdaan, laat zich door de tranen, vermurwen. i

Beiden nemen het besluit gemeenschappelijk te sterven. Doch juist op dit fataal oogenblik hooren ze de wondere zielrcre-