is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over Oud-Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is in het Museum van het Bataviaasch Genootschap een schilderij, voor. stellende het gezicht op Batavia's Kasteel ongeveer ten jare 1650 — aan die instelling geschonken door den Landsarchivaris Dr. de Haan, een copie van het origineel in Rijksmuseum van de hand van den overigens onbekenden schilder Beekman

Op den achtergrond de grauwwitte veste met de punten Saffier en Paarl, waarvan de geschutmonden dreigen. Boven de muren uit steekt het Generaalshuis met als windvaan het Compagniesscheepje. 1) De naar zee gekeerde Waterpoort, waarvan de óók met het Compagniesscheepje prijkende gevelsteen nog in ons Museum berust, staat open, en een stoet ruiters draaft den kant op van de aanlegplaats der sloepen. Op den voorgrond links buiten een pasar, waar Inlandsche koopvrouwen semangka en andere vruchten te koop aanbieden; een Chineesche varkensslager helpt zijn klanten, het breede mes tusschen de lippen. Oostersche kooplui wandelen deftig; een vrijburger 2) met blauw en wit gestreept wambuis en bandelier paradeert met een fraaien rotanstok, zijn Indische wederhelft terzijde Tegen de klapperboomen klimt een Lampongsche aap op. Prauwen liggen in de vaart en een kameel volmaakt — wel wat wonderlijk — het Oostersch tafereel.

Hoe twintig jaar later de stad Batavia er uit zag, leeren ons de kopergravures in Nieuhofs Gedenkweerdige Zee- en Lant Reize, waarvan de auteur de jaren 1667 tot 1670 ambteloos, rondkijkende en schetsende, te Batavia doorbracht onder het Gouverneur-Generalaat van Maetsuyker (1653-167 8.) Het was toen de bloeitijd van Batavia als oud-Hollandsche stad.

Op ruimen grondslag door Coen ontworpen, was Batavia eerst omstreeks 1650 afgebouwd; het sterke Kasteel afzonderlijk, daarnaast de stad door eigen muren en bolwerken omsloten ; een kleine veste, met grachten omsingeld en doorsneden, in vaderlandschen trant opgetrokken, waarvan de bevolking (de zeer talrijke lijfeigenen en Comp. slaven inbegrepen en de even buiten de stad wonende Inlanders medegeteld) in 1670 een twintig duizend zielen

zal hebben beloopen

Van het achter eigen muren en grachten liggend Kasteel uit, waar de Hooge Regeering en tal van lagere Comp. dienaren benevens de bezet-

1) De Haan, Priangan I blz. XI en 34. ....

2) Over de uit de veroverde Portugeesche vestigingen naar Batavia verhuisde »zwarte Portugeezen«, en de Swarte borgeren» of Mardijkers (vrijgelaten of zich zelf vrijgekocht hebbende slaven): Dr Haan de Portug. Buitenkerk, blz. 10 en 13, en in BKl. 73 blz. 219 vlg:

De laatste der Mardijkers.