is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over Oud-Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting woonden in hechte hoog opgetrokken gebouwen, zag de GouverneurGeneraal toe op het Stadsbestuur, door zijn grooten voorganger Antonio ^ van Diemen in diens vermaarde Bataviasche Statuten geregeld In regelmatige huizen-blokken gerooid, werd de stad, die zuidwaarts tot de Nieuwpoort reikte— d i. ongeveer tot waar thans de lijn Batavia Tangerang loopt—, in twee helften gedeeld door de Kali Besar: het Westergedeelte, meest voor het Chineesche element, de kleine burgerij en de pasardrukte; terwijl in de Oosterstad, de Europeesche en het vermogend deel der overige burgerij bij voorkeur woonde Hier verrezen langs de lijgersen andere grachten ruime, koele huizen in Hollandschen stijl, de mooiste met lustige achterplaatsen en schoone hoven, die met boomen en velerhande kruid en bloemen beplant, en met waterputten en bekwame gemakken voorzien waren; een deftig huis aan de lijgersgracht kostte wel een ƒ 50.000.

Aan de Tijgersgracht lag ook de weder opgerichte Latijnsche school, y doch de gegoede ingezetenen zonden reeds toen hun zoons ter opvoeding bij voorkeur naar Holland, en hierin ligt dan ook wel de hoofdreden waarom het onderwijs in Oud-Batavia nooit tot bloei is gekomen.

Ook aan de Oostzijde lag in het hart van de Stad aan een plein het Stadhuis, tezelfder plaatse als het tegenwoordige, dat intusschen eerst van 40 jaren later dagteekent. Aan de oostzijde van dit raadhuis stond de stadspaardenstal: men reed bij voorkeur met Perzische paarden. Aan de westzijde — de Hollandsche Kruiskerk, van binnen versierd met Hollandsche koperen luchters, terwijl de preekstoel en de zitplaatsen der overheden zeer net gemaakt en met ijzeren en ebbenhouten stukken treffelijk uitgestreken waren.

Over de rustige grachten — tal van hooge bruggen van steen of van hout. Tent-sloepen brachten deftige mevrouwen over, wier lange slepen door slaafjes werden gedragen en die zich druk koelte toewuifden met pauwenveeren waaiers, zwierig begroet door rijk uitgedoste heeren, die met diepe buiging hun bepluimde hoeden bijna den grond deden raken.

Af en toe ging een fraaie karos voorbij, stapvoets rijdend over den onverharden weg, terwijl stokkendragende lijfeigenen vóór de paarden liepen. Langs den bestraten huizenrand wandelden de voetgangers, beschaduwd, zoodra hun waardigheid het slechts even gedoogde, door hun nagedragen pajongs, sommige versierd met struisveeren.