is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over Oud-Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook de Westerstad had haar grachten, de Roewa Malakka of Jonkersgracht, de Spinhuisgracht en andere meer, overwulfd hier en daar met bruggetjes Prauwen voerden het hoornvee naar de pasars bij het zgn. Vierkant, waar het een druk gewoel van allerlei volk en slaven was. Noordwaarts was aan de rivier een haventje voor jonken en zeiljachten afgepeild; niet ver daarvandaan lag bij het tolhuis de boom, welke s avonds om 9 uur gesloten en door krijgsvolk bewaakt werd

In deze Westerstad hadden de Portugeesche Christenen, de Mardijkers, den boventoon, die hoe langer hoe meer op de Bataviasche samenleving diep hun stempel gingen drukken Hier hadden zij hun eigen kerk, hun eigen scholen en leermeesters om de jeugd in de letterkunst en de gronden van den godsdienst te onderwijzen. De vermogendsten hunner, die met eigen vaartuigen op geleibrief handel dreven naar Bantam, Java en elders, bouwden zich kostelijke huizen, terwijl de anderen, die van ambachten, land- of tuinbouw leefden, eenvoudig woonden op met geboomte en bloemen beplante erven waar zij hoenders, duiven en kalkoenen fokten, dan wel zich op varkensteelt toelegden.

Meest in de Westerstad ook leefden de Chineezen, die, sober behuisd over het algemeen, zich met allerlei koopmanschap, ambacht en landbouw bezig hielden, visscherij beoefenden en een groote bedrijvigheid ten toon spreidden, een onmisbaar element in Oud-Batavia, door Coen reeds zeer op prijs gesteld; goede, rustige burgers, die indertijd al dadelijk naar hun vermogen zeer aanmerkelijk bijdroegen 1) aan de stadswerken bij den opbouw van Batavia, toen Comp. slaven de grachten groeven, de wegen ophoogden en de stadsmuren optrokken. Reeds onder Coen stond de Chineesche gemeente hier onder een eigen hoofd — van den eersten kapitein So Bing Kong is de grafstede nog aan te wijzen op Mangga Doewa — 2) en in het stadscollege van Schepenen hadden twee hunner oversten zitting; doch van weerbaarheidsdiensten moesten zij niets hebben en in stede van in burgerwacht onder de wapens te komen, betaalden zij een hoofdgeld, hetwelk de Bataviasche Compagnie's kas aardig stijfde. Verknocht aan hun voorvaderlijke gebruiken, bouwden de rijken onder hen hunne groote familiewoningen in eigen trant, legden zij hun dooden ter ruste op den

' uitgestrekten doodenakker bij den Jacatraschen weg, bezaaid met de typische

1) O. a. De Jonge Opk. V blz. 180.

2) Hoetink in B K. I. 73 blz. 344.