is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over Oud-Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch er waren ook heel wat beteren, zelfs uitstekenden onder, uiteraard onder de uitgezondenen van eenigen rang; nieuwsgierige geesten van goed, soms voortreffelijk gehalte, geschikte burgerjongens, degelijke handwerkers en uit de hoogere standen gingen bij lange niet vooral afleggers met een aanbevelingsbrief aan boord Antonio van Diemen, burgermeesterszoon maar gefailleerd koopman, liet zich onder een valschen naam als soldaat aanwerven, doch klom al ras om zijn bekwaamheden op, werd lid van den Raad van Indië. werd Gouverneur-Generaal (1636 — 1645). Een verstandig, ervaren ende vigilant dienaar van de Generale Compagnie, schreef de Indische Regeering bij diens overlijden, het betreurend dat deze landvoogd niet nog eenige jaren langer het bewind hier had kunnen voeren tot het bekleeden van welk ambt hij tot twee maal toe opnieuw was uitgenoodigd; hij was een man, Coen waardig, een grondlegger van ons gezag.

En uit later tijd denkt men aan den Haarlemschen zilversmidsjongen Camphuijs, die het mede bracht tot het Gouverneur-Generalaat (1684 — 1691). Landvoogd in ruste en zich gaarne verpoozend in zijn lustverblijf op het eilandje Edam, waar aan nieuwgasten in herinnering aan zijn verblijf in Japan nog al eens een Japansch maal werd opgediend vergat Camphuijs de wetenschappen niet en vroolijk correspondeerde hij met den blinden Rumphius op Ambon, onzen Indischen Plinius, die, Duitscher van geboorte, als adelborst was uitgevaren. Aan Camphuijs, die zelf gaarne zeehorentjes, versteeningen en dergelijke rariteiten verzamelde, de botanie en de sterrekunde beoefende, heeft de wetenschap te danken dat Rumphius Kruidboek

tot ons is gekomen.

Ofschoon uiteraard niet verschillend van zijn tijdgenooten bij het verzamelen van zijn fortuin en het bezorgen van zijn beschermelingen, was Camphuijs een braaf man, voorzichtig en bezadigd, geen krijgsoverste zooals Speelman, maar een van die Hollandsche naturen welke zich ter dege in de zaken werken, bedrijvig en eenvoudig, vroom, zooals zijn rijmen hem ook doen kennen :

Wie altyt leyt en peynst, en nimmer durft beginnen,

Wie altyt overlegt de zwarigheid van 't werk,

Wie altyt leyden maalt en rammelt met de zinnen,

Bouwt nimmermeer een huys, veel minder nog een kerk.