is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over Oud-Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vloedrijken Amsterdamschen Patriciër-Burgemeester, tevens Bewindhebber, Nicolaas Witsen, 1) neef van Van Hoorn, aan wien deze laatstgenoemde landvoogd o.a. eenige koffieplantjes van hier toezond.

De Jacatrasche jurisdictie, welke Coen had gedecreteerd in het grove tusschen Bantam en Cheribon tot aan de Zuidzee, raakte meer en meer beplekt met dorpen, waar Jacatra's schaarsche bevolking woonde, gemengd met Bantamsche, Cheribonsche en zelfs Mataramsch-Javaansche nederzettingen, waarbij zich voegden die van weggeloopen slaven en van door de Comp. uitgezonden, landontginnende Inlandsche Officieren met hun volk, en daartusschen kwamen te liggen particuliere landerijen, toebehoorende aan Comp. dienaren en burgers

Meer en meer werd de V. O. I. C de souvereine leidster der volkeren in dezen Archipel wel is waar in den geest van dien tijd en dus niet zonder hardheid en niet zonder baatzucht, maar toch staat te boekstaven dat in deze landen, waar het Inlandsch krijgsgeweld nooit van de lucht af is geweest, zich toen reeds ontplooide onze orde en vrede brengende, regeerende macht, die de wapens der bevolking deed omsmeden tot landbouwwerktuigen.

Maar het was destijds nog maar een begin. Batavia was toen in hoofdzaak nog een echt-Hollandsche stad in een Inlandsch gebied; daarbuiten was alles anders, kleur en levenswijze, taal en geloof, en bovendien was een groot deel van de Omme- en Bovenlanden destijds nog spaarzaam bevolkt, terwijl er al heel weinig wegen waren en deze nog meest slecht begaanbaar. Abraham van Riebeeck (1 709 — 1 713) is de eerste landvoogd geweest, die aardigheid had in het met eigen oogen aanschouwen van het binnenland, maar zijn tocht naar de Wijnkoopsbaai was destijds een ware ontdekkingsreis en de herbevolking dier streek is voor een deel aan hem te danken.

Het bestuur ten platten lande, de politie inbegrepen, was in beginsel op den ouden voet gelaten aan de eigen hoofden (regenten en anderen), maar er was een sterker macht noodig ter bewaring van de openbare rust en hooger toezicht op de elkaar benijdende hoofden, want bijzondere reden tot tevredenheid over dat eigen bestuur had de kleine man niet.

1) De Haan, Priangan I, blz. 93* en bijl. blz. 282.—De Jonge Opk. VIII blz. 140