is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over Oud-Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoelde zich nog dikwijls alleen veilig onder den rook der Comp.'s fortjes en binnen de ommuurde stad, ook daar evenwel nog niet eens altijd op haar gemak bij het groot aantal slaven van allerlei allooi, waaronder er natuurlijk ettelijken geweest zijn, die hun meesters en vooral hun meesteressen verhalen van Indische geheimzinnigheden opdischten, met hun verbeelding al ras het ergste schilderend terwijl geen omgang met den landzaat van beschaving beter kennis bijbracht

Buitenaf waren de Comp. dienaren minder vreemd geraakt aan land en volk. Was al dadelijk van den beginne af de kennis van het omgangsMaleisch eene noodzakelijkheid geworden, 1) Camphuys' vertrouwde De Saint-Martin, uitgeweken Fransch edelman in Comp. dienst wiens krijgstitel den naam zou geven aan het hem toebehoord hebbend particulier landje Kemajoran (hij is commandant van het Bataviaasch garnizoen geweest), De Saint Martin kende eenig Maleisch en bezat een merkwaardige verzameling Maleische en andere handschriften, die, door de Regeering genaast, ten slotte via Raffles voor een deel naar het British Museum zijn verzeild. 2) De Cheribonsche veldoverste Couper, die in de Preanger regelend optrad, en eenige andere Comp. dienaren verstonden en spraken wellicht eenig Javaansch, en de omgang te Cheribon en in Bantam met de vorsten en grooten aldaar verschaften een kijkje in de gescheidenis en de overleveringen des lands. Toen Cornelis de Bruin in 1706 bij den Sultan van Bantam te gast was - hij werd daar door den praatgragen en gemoedelijken Sultan overal in diens Dalem rondgeleid, mocht zelfs diens gemalinnen zien, en maakte een ietwat fantastische schets van het pijpen rookend, thee en diverse soorten koeweh genietend middaggezelschap Cornelis de Bruin kreeg daar een omstandig verhaal van de Bantamsche sultansgenealogie, maar dergelijke kennis was toch maar het bezit van enkelingen ,het gros zelfs van de Comp. dienaren gaf niets om kennis van land en volk.

Die weinige bekendheid is ons evenwel op den duur slecht te pas gekomen en heeft tot eenige zeer betreurenswaardige gebeurtenissen geleid.

Zoo in 1722 tot de ook naar het gebruik dier tijden verschrikkelijke terechtstelling van Pieter Erbervelt en diens lotgenooten, verdacht van

1) Frederik de Houtman gaf in 1603 een kleine woordenlijst van het Maleisch en de Madagaskarsche taal. In het Maleisch werd al vroeg (1630) vertaald Marnix Vraagboekske:

de Bijbel verscheen in 1731 33

2) T. B. G. 42. De Haan, bl. 297 vlg. en Van Ronkel bl 309 vlg