is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over Oud-Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rustig, hecht en eenvoudig staat nog het Stadhuis (het derde 1), waarvan de eerste steen gelegd is onder Joan van Hoorn (15 Januari 1707) en dat voltooid is onder diens opvolger Abraham van Riebeeck'J 0 Juli 1713). In Batavia's Stadhuis geen weelde, zooals men allicht zou verwachten, maar het gebouw is degelijk afgewerkt en doelmatig ingericht met hooge zalen op de bovenverdieping, waar ook des middags, als de wind doorstaat, het luchtig is. De tegenwoordige trouwzaal is, blijkens de daar nog hangende schildering van Salomo's recht, de vergaderkamer vermoedelijk van het College van Schepenen geweest, terwijl aan het door Daendels daarin opgelost College van Heemraden hebben toebehoord de in die zaal mede staande oud-Hollandsche glazen kasten, zooals het boven aangebrachte wapen leert, — een klapperboom bij opgaande zon op een (blauw) veld. Het Stadhuis is uiterlijk weinig veranderd, alleen zijn in den voorgevel boven het zgn. rondeel eenige versieringen verdwenen. Ter zijde van het hoofdgebouw waren in de zijvleugels ondergebracht de zgn. Comp. en Burgerboeien, en aan de achterzijde bevinden zich, op het binnenplein uitkomend, eenige donkere, lage, zwaar getraliede hokken — kazematten als het ware —, waarin ongetwijfeld heel wat misdadigers door ziekte en ellende zijn omgekomen.

Van 1695 dagteekent de Portugeesche Buitenkerk aan den Jacatraschen weg met haar eenvoudigen gevel en historisch interieur, wel is waar eenigszins ontluisterd onder Raffles, maar toch nog Oud-Batavia ons voor den geest roepend. Oorspronkelijk bestemd voor de smalle gemeente, is die kerk blijkens de daar opgehangen familie-wapenborden alras in aanzien gekomen: op het belommerde voorplein ligt onder een mooie, maar eenvoudige zerk begraven de oud-landvoogd Zwaardecroon (1718 1 725, overl. 1728).

Interessant is bij den voormaligen zgn. Uitkijk het bijna vergeten hoekje van de Westzijdsche pakhuizen, waar eenmaal de specerijen werden opgetast, voor zoover de Regeering, om deze kostbare waar op hoogen prijs te houden, niet heele partijen daarvan door Comp. slaven liet verbranden. Daar staat nog een stuk van den ouden stadsmuur bij het verlaten boiwerk Zeeburg, regelmatig bezet met gemetselde schilderhuisjes, verbonden door een in den stadsmuur uitgespaarden — vroeger waarschijnlijk — overdekten gang. Men ziet hier uit op de voormalige Vrijmanshaven.

1) Het eerste stadhuis dagteekent van 1626, Plakaatb li blz. 162; het tweede van 1652, over het laatste vgl. Plakaatb. III blz. 568.