is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en weende bitterlijk" — vergelijk met die matte paraphrase eens de zeldzaam-dramatische scène, die Vermeylen maakte van datzelfde tooneel, in „De Wandelende Jood . Doch waarom ook, wanneer men noch over bizondere psychologische, noch over dramatische gaven beschikt, groote momenten als dit zóózeer onder de maat na te stamelen?

Van Schendel doet mij denken aan de beide malen, dat ik Isadora Duncan zag. Het was in Parijs, verscheidene jaren vóór zij naar Holland kwam. De eerste maal danste zij al haar jeugd en liefheid uit, indeeenvoudig-bevallige vormen der Tanagra-beeldjes of Pompeijaansche frescofiguurtjes, op eenvoudige piano-muziek, en het was.... verrukkelijk. De tweede maal, op het geweldige podium van het Trocadero, met Colonne's voltallig orkest boven-achter zich op een estrade, danste zij Beethovens negende, bukte zij, dans-passende, onder Beethovens negende, werd zij verpletterd, een vogeltje, dat nog even, angstig, met de vleugels fladderde, onder Beethovens negende.

Dienzelfden indruk maakt op mij, in, ónder, zijn „Mensch van Nazareth", Arthur van Schendel. Want is hij méér dan een „lieve landschap-bekijker" — zoo verheugde Van Deyssel zich over hem bij zijn verschijning —, is hij wel waarlijk een dichter van zeer innige begaafdheid (en verschool zich ook déze appreciatie al eigenlijk niet in dat „lieve" van den landschap-bekijker?) — is hij zelfs een, in zijn geheel eigen manier, zacht-wijsgéérige dichter, — een „wijsgeer" of een „fameus dramatist", neen, dat was hij niet, en dat is hij ook nimmer geworden.

In het laatste en jongste der „Verhalen" heeft Van Schendel nogmaals deze waarheden bevestigd. Hoezeer is dat „Het vertrouwen" in den aanvang doorzoet van zachte levensdiepte en vizioenaire klaarte, en hoe bloeien wederom, in de figuur van den jongen, weeken Mare, het verlangen en de liefde, waarin hij zijn edelste