is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een dichter uit den tijd van Baudelaire,

— Daags tusschen boeken, 's nachts in een café — Vloek in mijn liefde en dans als Salomé.

De wereld heeft haar weelde en haar misère.

„1 oeschouwer ben ik uit een hoogen toren, Een ruimte scheidt mij van de wereld af,

Die 'k kleiner zie en als van heel ver-af,

En die ik niet aanraken kan en hooren.

„Toen zich mijn handen tot geen daad meer hieven, Zagen mijn oogen kalm de dingen aan:

Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan,

Stil mozaïekspel zonder perspectieven."

Het gebeurt waarlijk niet eiken dag, dat een pasbegmnend dichter, zichzelven inleidende, zoo schérp aard en plaats van zijn dichterschap te bepalen weet, en dit doet op een wijze, die tegelijkertijd ons van dat dichterschap zoo zeker overtuigt. Want niet wordt ons met spitsvondige onderscheiding of met groote woorden en gehoofdletterde abstracties, het bizondere gehalte en het aantal afwijkings-graden van de meuwe richting des jongen poëets welbewust voorgerekend — en naarmate zoo'n heerschap daar knapper in is, is hij gemeenlijk minder dichter—, doch zie, hoe deze Nijhoff van meet af aan, in het eerste gedicht van zijn eerste bundeltje, het zeer bestemde en zeer ongewone van zijn wezen in niet minder teekenende beelden ons voor oogen weet te stellen!

Aanstonds zijn wij met hem bekend, met dezen vreemden wandelaar „langs een landschap". - In die enkele woorden reeds wordt sensitiever zijn onverschilligheid uitgedrukt, dan in den overigens zeer

fraaien vierden regel. Zijn onverschilligheid voor

de realiteit, voor het daad-werkelijke leven. Want ontwaar in de tweede, van leven blozende strophe, welk

2