is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik denk, God is als een vereenzaamd man,

Die naar de wereld kijkt en keurt haar goed — Maar ziet hij kind'ren voor een venster, dan Lacht hij en wenkt zooals een vader doet.

En wie goed luistert naar dit stil gesprek,

Die zal de woorden in zijn hart bewaren"

Gij ziet het, de blik van dezen dichter behoeft geenszins de gezochtheid der zeer bizondere onderwerpen, om het zeer bizondere te zien. Dees ook maar eens dat slot-sonnet, waarin hij zingt van zijnmoeder, het tengere vrouwtje, zingende langs de zee, en die nu ligt „in 't graf met het gelaat naar boven". — Of stel eens tegenover elkander de fijn-bewegende innigheid van „Het Meisje" en de roerende ruwe-weekheid van „Zingende Soldaten" —:

„De keien zijn zoo puntig op de straten;

Blonde soldaten, doen je voeten pijn,

Smoor je verdriet met een naïef refrein:

„Marie, Marie, ik moet je gaan verlaten."

Wij zien vooruit naar 't verre doel der torens

En loopen met z'n vieren naast elkaar.

Melancholie, uw vondsten zijn bizar:

„De duivel heeft twee hoeven en twee horens."

Waar is de tamboer, waar is de muziek?

God heeft ons op den weg alleen gelaten.

Ons lijf gaat breken en ons hart is ziek —

Zingt van een ring en van liefde en van smart,

Zingt van verachting voor een paar granaten!

Een goed soldaat heeft een groot kinderhart."

En, ge hebt het gevoeld: het hart van den dichter van zulk een vers, is, hoezeer doorsmeuld van zwaarmoedigheid, gezonder en misschien rijker aan belofte, dan zijn erg-makende jeugd u wel heeft willen doengelooven.