is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerechtigheid van zich alleen uitverkoren wanende Calvinisten, en die mij, in haar verbittering bovenal, bijster onwijsgeerig toeschijnt.

Wij kenden dien toon al uit „Quia Absurdum": „Wat is de zin van een advocaat, een blikslager, een professor in de hoogere wiskunde, een boer, een minister? Wat moet ik tusschen dit gepeupel?" — Had echter daar, bij den 20-jarigen zoeker, die toon zijn bekoring, — hier, bij den 35-jarigen schoolmeester, vinden wij hem met minder ingenomenheid terug:

„Het is niet te ontkennen, dat de heele maatschappij maar een zotte janboel is van een hoop hoogst onpraktische dwazen, wier „geestelijke" leiders weinig verschillen van ordinaire charlatans of oplichters, en wier bestuurders bestaan voor een derde uit aartsdomooren, een derde uit eerzuchtige parvenus en een derde uit in troebel water visschende bandieten."

Zijn er al elementen van waarheid in zulk een beschouwing, „niet te ontkennen" is vooral, dat een dergelijke tirade op zijn Hollandsch „doorslaan" heet. En geïsoleerd is in dit boek dit getransponeerde Calvinisme helaas allerminst„Ik zou wel eens willen weten," schrijft hij vijftig bladzijden verder, „hoe de „groote geesten" der wereld, die heroën der wetenschap, die coryphaëen, zich zouden houden wanneer hun cosmopolietische redelijkheid eens werkelijk op de proef gesteld werd, bijvoorbeeld in een grooten oorlog. Ik ben bang dat het meerendeel dier hooge geesten opeens tot een ontstellende laagheid zou neerploffen. De stijl van hun toosten op internatio-. nale congressen doet mij vreezen, dat zij zich niet wezenlijk onderscheiden van vergaderende hoedenfabrikanten, leden van een of ander patriottisch huldigingscomité, of banketteerende ministers." — Men ziet, de ministers in het bizonder zijn een hopeloos verloren ras, maar ook de „groote geesten" dezer