is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienst, behoefde de katholieke kerk evenmin zich met stuurschheid te maskeren als in Engeland, waar de High Church-zelve het grootste deel van haar zinnenbekorenden luister had voortgezet. En alleen ten onzent, naar het mij voor wil komen, heeft zij, van den weeromstuit, zooveel Calvinistische felheid en soberheid aangetogen.

De spiegel der litteratuur weerkaatst dit beeld zoo volkomen als het maar kan. Katholieke auteurs van eenige beteekenis vertoonen, na den ouden Vondel, de Nederlandsche letteren niet. De „ziel van Nederland" had ook niets katholieks. Niet alleen immers waren onze katholieke gewesten, nog minder dan Friesland of Overijsel, zetels van het Nederlandsche intellect, — maar in Holland-zelf was slechts een deel van het onmondig volk „roomsch". Onder de betere standen, in de hoogere ambten, waren de Katholieken uitzondering, zoo zij er niet buitengesloten waren. Het Katholicisme was in Nederland als een plant, die wel groeit en groen is van veel bladeren, maar die, in den ongeëigenden grond de fijnste sappen ontberend, den schoonheidsbloei niet kende. En terwijl twee eeuwen na onzen „dichtervorst", in Vlaanderen Gezelle zong, midden uit zijn natuurlijke aarde en zijn natuurlijk daarop tierend geloof, — poogde ten onzent de beschaafde letterkundige, Alberdingk Thijm, eenzame katholiek onder zijn tijdgenooten, met eerbiedwaardigen ijver „tegemoet te komen aan eene leemte in onze letterkunde", sinds Vondel onaangevuld. Dan sloeg de zware Schaepman aan het dichten, en klonk het al ter dege „roomsch", op de mystieke diepten van den katholieken geest was zijn grove stem nu juist niet berekend. In de het geloof niet eenmaal rakende geschriften van Thijm's hartstochtelijken zoon, L. van Deyssel, en van diens vriend, den fijnen Erens, was van den katholieken gloed en zelfs soms van de