is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat verhaal nu, hoe schraal gecomponeerd (men krijgt min of meer den indruk van: vel over been) het bezat een onmiskenbaar persoonlijken toon, die de geenszins zwakke toon was van een veel dwaasheid vergevende ironie.

Dezelfde toon werd wederom gehoord in „De bevrijders", en was tevens het beste van die voor onze toenmalige burgerij zoo weinig flatteuse beschrijving van Holland in den jare 1813. En scheen ook dat werk wat rammelend en gezocht van samenstelling (en niet weinig smakeloos in de episode van die twee dronken knullen, den rijken koopmanszoon en den huispoëet, leidende tot het walgelijk huwelijksaanzoek aan de zoo bijster „hoogstaande" jonkvrouwe Fabian) — niet alleen viel er zeer knap detailwerk te loven bij het sterke inleven van heel dat verachtelijk tijdperk, en bij de voortreffelijke descriptie's, gelijk die van den slag van Waterloo, — maar het was vooral weer die toon van nu-vernietigende ironie, die tegelijk zei, bitter, maar geenszins zuur of dor: „en zouden wij, waan-betere nakomelingen, niet net zóó doen?"

In het „jubeljaar" 1913 — de honderdjarige herdenking onzer vernedering — was dit „De. Bevrijders" de niet precies voor een lintje aanbevelende, doch wel meest treffende „feestgave"; een historische satire, die maar al te scherp het eigen volk van heden doorzag. Want o, moesten wij nog te eeniger tijd onder Duitsch bewind geraken, ik ziè de karakterloosheid al, waarmee menig vooraanstaande in den lande voor dat bewind zou kruipen; de algemééne lafheid, waarmee men ervoor zou beven en bukken; — om, hielp de Entente er ons weer onderuit, plotseling in „vaderlandsche" en andere clubs en „raden", onze potsierlijke dapperheid te toonen, gelijk die tabakhandelaarszoon, die stilletjes uitkneep van Quatre-Bras, en thuis ontvangen werd als een held!