is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder anarchistisch zijn zal dan A. van Collem, en de wereld niet zal „afrukken", maar behoorlijk „rukken" uit haar voeg, — zoo het dan bepaald noodig mocht blijken, dat de wereld uit haar voeg gerukt wórde.

Tegenover de eigenlijke „Liederen van Huisvlijt", de schilderingen van 'n aantal wantoestanden, staat dan een rij van gedichten, waarin verheerlijkt wordt de schoonheid van het leven, wanneer het vrij uitgroeien mag. En in deze gedichten is zeer veel moois! Zij zijn het, die doorzongen worden van dien diepen, cosmischen adem, waarvan ik in den aanvang sprak en die zich de eerste maal openbaart in dienzelfden „koperling". „Zij heeft ook oogen" — stond daar immers, en zie hoe de dichter dan de menschelijke oogen bezingt:

„Zij heeft ook oogen. — Oogen zijn getwee Een glanzend wonder, waaruit komt (komen?) geblonken,

De schatten van de binnenwaartsche zee. De ziel der menschheid in ons neergezonken."

De eerste gedichten van die ik de „tegenzangen" zou willen noemen, zijn „De Heilige Familie" en „De Moeder". In het laatste ontfermt zich een jonge moeder over het pasgeboren kindje van den benedenbuurman, den straatarmen karrejood, en zoogt het als den gelijke van haar eigen boreling. Er gloeit een warme menschelijkheid door deze strophen. Doch men wordt getroffen door, te gelijker tijd, 't overteedere in de stemmings-weergave en het pathetische der gemoedsbewegingen.

„De sfeer om haar is blank en teer en rein;

Er is een spel van fijn gevloeide tinten Langs schouw en wand en vloer en blauwe binten, Als waar de kamer bevend porclein."