is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl de moeder dan het vreemde stumpertje zoogt, begint haar eigen beer-van-een-jongen te krijten. Nu „schreeuwt" ook „het moeder-dier; — een vlam sloeg op!" — en zij neemt den jongen aan de andere borst:

„Neem, zei zij, neem, — neem van mijn lijf, mijn bloed, Neem van de ajers, in mij uitgesprongen, —

Houdt uwe monden tot mij aangedrongen,

Dat ik u domple in den wilden vloed "

„Bevend porcelein" van stemming; „ajers" (voor „aderen", denk ik; maar „uiers" is gevaarlijk dichtbij!) en „dompelen in den wilden vloed".... van pathos. De combinatie is Joodsch, en Joodsch is ook de taal.

„het gouden licht,

Het ging de beide kinderen aanstrijken."

Dat „aanstrijken" kon van Querido zijn! Aan Querido eveneens lijkt (in het andere, niet minder mooie en wellicht harmonischer gedicht van moederweelde, „De Heilige Familie") het vlottende woordgebruik ontleend, waarmee zij hun eigenaardige, specifiek-Joodsche, vlottende plastiek zoeken te geven:

Een stoel, een tafel en de kinderwiege

Zijn aangezongen door het scheidensuur

De hooge schouw wil diepe tinten wiegen."

„Zij heeft de armen liefelijk omstroken"(?)

Het is mogelijk, dat het Joodsche temperament aan deze versmeulende woorden behoefte heeft; mij klinken zulke afwijkingen nog steeds eer als verwordende, dan als groeiende taalvormen.

Doch wanneer de vader, voorzichtig binnengeslopen, bij het bed staat (haar hand heeft hij „omge-