is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangen" met zijn harde vuist), dan vindt men daar de regels:

„De sterke man, die tot haar stond, bevangen, Z'n oogen hebben haar gelaat gestreeld."

En dit „die tot haar stond", hoe ongewoon ook, vind ik onvervangbaar. Want hoeveel meer bedremmelde aandoening, ja, gefascineerdheid, zit er in dat „tot", dan in: die bij of naast haar stond. Hier ziet men een klein voorbeeldje van werkelijk nieuwgegroeide taal.

„De Heilige Familie" eindigt met een drietal schoone strophen, waarnaar deze ééne, zeer schoone regel u verlangend moog' maken:

„Het kind ligt bij haar hart ten heilig maal."

Met „De Menschheid" („De zwangere menschheid" mocht de titel wezen!) wordt een reeks van bijna uitsluitend mooie verzenl) geopend, waarbij ik zoii willen voegen het gedicht „Opgang", van blz. 43. Het zijn, behalve deze beide: „De Zaaier", „De Lichtende Aarde", „De nieuwe menschen", „Wandeling," „De I/anden", „Voorjaar", „Drie verzen voor R. N. Roland Holst, naar aanleiding zijner nieuwe wandschilderingen in den A. N. D. B.", „Het Woud", „In de Kamer", „De Werelden" en „Avond".

Het gaafst van deze allen is misschien het zeer ongemeene gedicht „De Zaaier", met deze zeer ongemeene, bij uitstek cosmisch-gevoelde aanvangs-regels:

Ziet gij de toekomst lichten als een vlies?

Hoort gij de wording kloppen aan het heden?"

l) De tusschenliggende, met name „De Steeg" en „Het oude en. het nieuwe beeld" zijn dikwijls onleesbaar van lengte en knoeierige gekunsteldheid.