is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een zeer gevoelig sonnet is „Wandeling", aldus inzettend:

„Een fijne geur ontstijgt de versche gronden, De luchten worden willig voor geluid."

Het chaotische, uiterst embryonaire „Voorjaar" breekt open op de liefde van den primitieven levensaanbidder :

„En wij, wij kussen u, bemind Heelal, En plukken uit uw sidderende hart De kleine vruchten van de gouden sterren En eten ze en proeven Eeuwigheid."

Het natuurlijke hoofdmotief van deze cosmische gedichten is de scheppingsdaad, en nergens, bij haar tegelijk wazige en felle verwoording, is de zangtoon edeler en extatischer dan waar, in den symbolischen dialoog tusschen den Man en de Vrouw, die Roland Holst's tweede paneel begeleidt, de Vrouw aldus zingt:

„Ik weet een wezen vol van schemeringen; Er waren blauwe dampen in haar om En vreemde stemmen zeggen vreemde dingen; Haar mond bewaakt dat kostbaar eigendom.

Zij weet het komen van den zonnewagen Zij weet den neerval van het zonnezaad,

Zij weet het vloeien van den dageraad,

Zij weet de wolken die goud-vanen dragen.

Zij kent de stilte der gewijde droppen Die vallen en de aarde maken wijd,

Zij kent de vonkelende sterren-knoppen Wier lichtstraal als een schuwe glastoon glijdt.

Zij meet de diepte der verschijningen Zij draagt den chaos in haar donkren schoot, Zij weet het leven en zijn deiningen, —

Daar is geen God, die boven haar gebood.