is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten van zijn verstand, blijkt hier zijn veel minder beroemde neef, van wien men tot heden enkel twee niet zeer belangrijke verzenbundeltjes kende. En 't is waarlijk niet in eenvoudige menschelijkheid (de beste roem van Streuvels' „Oorlogstijd"), dat Caesar Gezelle voor hem zou onderdoen. I^ees maar eens op blz. 52 en 53 hoe de Vlaamsche boeren, eerst angstvallig, dan vertrouwender, de eerste Uhlanen ontvangen: ,,'t Zijn toch al moeders kinders", zeggen ze, „z'en kunnen 't niet helpen meer dan wij dat het oorlog is", — of op blz. 57, hoe de Yperlingen (en ze denken aan hun eigen broers of zoons, die nu misschien juist zóó een verre vreemde stad gevankelijk betreden) meewarig den eersten krijgsgevangene nastaren, Al 't geen niet wegneemt, dat de schrijver op blz. 67 bij het graf van een jongen Duitscher, dien hij heeft helpen verplegen, deze ontboezeming heeft:

„Maar gij, waarom kwaamt ge tot hier, schoon kind van het blonde Germanje, uwen dood zoeken waar ge geen roem kunt maaien; waarom hier vechten en struikrooven op ons die uw vrienden waren. Enkele maanden pas geleden, roemdet gij en genoot onze gastvrijheid, waarom zijt gij ons komen leeren dat elk die u goed wil doen 'n dwaas is en een slang voedt aan zijn hert die hem den vergiftigen doodbeet zal toebrengen. Duitschland! dat gij Vlaanderen hebt vertrapt, met uw stalen krijgershiel vertrapt en vermorzeld in het bloedslijk, dat vergeet u, dat vergeeft u Vlaanderen nooit!"

Het is dit even doodeenvoudig accent, dat in Streu-

vel's dagboek al te pijnlijk werd gemist.

* *

*

Jozef Muls is niet een zoo voorname figuur als deze stille priester-dichter; hij staat niet boven het