is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven, hij staat eronder; maar hij staat eronder in een goede houding; die der bewondering. Hij is van zijn Vlaanderenland een oprecht en innig bewonderaar, en een goed zoon. Hij blijkt daarenboven, in deze opstellen, die hijzelf meer voor journalistiek dan voor kunst aanziet, een schilder-met-woorden, die het kunstenaarschap aardig nabijkomt. Ja, ik moet bekennen, dat ik, in zijne beschrijving van Yperen, meer gezien heb, van straten en monumenten, dan in Caesar Gezelle's schets van het Ypersche leven.

De eigenaardigheid van de meeste beschrijvingen is, dat de lezer niets ziet — indien hij al te weten komt, verstandelijk, hoe hij zich ongeveer het beschrevene moet voorstellen. Het suggestieve woord neer te zetten, dat het vizioen der dingen oproept, is een kunst, die slechts enkelen begenadigden gegeven is. Onder die weinigen behooren ten onzent Van Looy in de allereerste plaats, Erens een enkele maal, Querido in zijn beste bladzijden, Adriaan van Oordt ook vooral, en Ary Prins. De proza-pastellen van Arthur van Schendel zijn vager-vizioenair.

Deze Jozef Muls hééft nu en dan dat treffendschilderende woord, dat het woorden-schilderwerk leven doet. Hij heeft het, zeg ik; vinden laat het zich — dit tot de zoekers! — zoo zelden.

„Boven den kruisbeuk schoot een fijne naald omhoog en rondom het veelhoekig koor liep een doorluchtige gaanderij met weelderig-gebloemde pinakels, waaruit het donkere dak aan 't glooien ging".

Er staat niet „opglooide", maar „aan 't glooien ging". Ziet ge wel, hoeveel hooger het dak wordt, doordat het tot opglooien zich als 't ware bezinnen moet?

En zie nu, naast het hooge cathedraal-dak, het geweldige dak van dé laken-halle:

„De nok van het dak lijnde als een horizon op