is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boden — de plezierboden — van al dat vrij en dol en heerlijk-wild-en-ruim natuur-leven."

De auto-rit dan, naar het front-zelf, is een prachtig paar hoofdstukken. Ik zou ze u willen citeeren, maar de plaats ontbreekt mij, er meer dan pnlrplp zinnen van over te nemen. Hier vooral komt het uit, wat de verslaggever vermag, die tevens kunstenaar is; want hij doet u zien, beter dan jaargangen gëillustreerde bladen het vermogen. Een klein detail: door een vergissing van den geleider raken zij midden in de gevaarlijke zone; zij schuilen in een loopgraaf :

>»—Ziet ge dat daar?" zeide hij.

„Eerst zag ik niets. Niets dan de half verbrokkelde, witgekalkte muur van twee verwoeste huizen en wat nog overbleef van 't ingestorte pannedak. Toen merkte ik plotseling iets vreemds. Die muur, die doode, witte muur scheen eensklaps met een eigenaardig leven bezield. Het was alsof een onzichtbare hand er stoffige schilfertjes afkrabbelde en het was ook alsof er met iets tegen aan gespoten werd, met een flesch spuitwater bijvoorbeeld, die er telkens kleine, korte gulpjes op zou spuwen. Verbaasd en ondervragend staarde ik mijn geleider aan.

„—Weet ge wat dat is? glimlachte hij. Ze hebben ons gezien en schieten naar ons met geweren."

„Het werd een ietsje koel in mijn binnenste. „O" zei ik...."

Een ander, veel aangrijpender moment, moet ik onafgeschreven laten; waar hij, door een kijker, in de wazige, groene zonnevlakte, niets ontwaart dan een klein, grijs kerkhof.... het was de stad Dixmuiden, die hij te zien had gevraagd. Ik kan ook niet citeeren de twee tegengestelde tooneelen van het slothoofdstuk, in Engeland terug, — twee tooneelen karakteristiek voor de innerlijke fijnheid en grootheid van het boekje: de meewarige groep militairen en

8