is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de jadis" Zijn gebaren zijn heel los, heel gemakkelijk. maar zeldzaam, terwijl hij spreekt, doch die weinige gestes zijn zeer expressief; zijn fraai-lange vingeren ponctueeren langzaam en met sierlijke arabesken de woorden, welke zoo precieus en stil en

traag van zijn lippen rollen Dat alles is zeer

bewust, misschien berekend, doch in den grond zeer echt.... Vol zelfbesef en zelfkennis is een dandy

als Couperus voorzeker en hoe moeilijk om te

verwerven moet dan een dergelijke levenspose zijn!" (blz. 17—18.) .

Hoeveel exquiser nog, echter, blijkt ons de conférencier, die heel dwepend Holland van streek bracht:

„In zijn welversneden rok, met de groote gouden ketting rond den hals, die dof glansde op het wit plastron, met zijn lage lakschoentjes en zijn witgestreepte zijden sokken en zijn boek met lang, rood lint, scheen hij wel een kunstig bloeisel van fatterigheid. Van zijn gladden, glimmenden schedel tot de puntjes zijner gepolijste nagels, van het topje van zijn neus in zijn gepoederd gelaat tot de glimmende tipjes van zijn zijden veters, en zooals hij leunde tegen het lessenaartje en speelde met zijn slanke vingertoppen, droeg hij de volmaaktheid in zich van een precieus uitgerijpten snob."

Of Couperus met dit verheven „snobbisme", hem door zijn bewonderaar aangeschreven, wel zoo heel ingenomen mag zijn geweest, — zeker is, dat deze zijn houding, indien zij al niet op het snobbisme zijner toehoorders speculeerde, niettemin onder ons artistiek-doend snobbendom zijn rijksten oogst aan vereerders plukte. En geen Nederlandsch schrijver dan ook, om wiens uiterlijke verschijning (wij zijn weinig gewend!) zóóveel te doen is geweest en nóg is, dat zijne „faits et gestes", ja zijn onschuldigste inkoopen, het gemengd nieuws onzer dagbladen tot een siersel werden.