is toegevoegd aan je favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat blijkt de reus? Een gewezen kapelaan, die, in opstand al omdat men hem niet vergunde zijn schilders-talenten te ontwikkelen, verliefd werd op de dochter van zijn dorpsbuurman, den dokter, om, na een smartelijke worsteling, die den vloek zijner ouders met zich voerde, als eenvoudig handelsreiziger, in een huwelijk vol liefde een bitter-bevochten, sonoor geluk te vinden. Hij en zijn gezin, in hun zonnig buitenhuisje, op hun zelf-bebouwd stukje land, leeren Henk het geluk, dat in het nederigst bestaan door de liefde wordt gaande gemaakt.

Deze Huib Willems is, vleeschgeworden, dat hooger optimisme, dat gewonnen wordt uit veel leed en strijd. En hij is niet slechts een warm-sympathieke maar ook een prachtig-rijpe schepping, omdat hem niets menschelijks vreemd is.

Tegenover deze figuur in een machtig majeur, staat er een andere in mineur, niet minder breed en misschien nog dieper doorgevoerd. Het is neef Henri de Fouquières, een waardevol doch niet zeer vruchtbaar schilder, gefnuikt door hereditaire ondaadkrachtigheid, door twee vrouwen, de „zestien-jarige celstraf" éérst van zijn huwelijk met een model, de ij del-blij kende liefde dan voor zijn coquette nicht Hermien, en eindelijk, tengevolge van zwakte en teleurstelling beide, door den drank.

Intusschen, wat deze Henri de Fouquières dan tegen hebben mocht, hij was en bleef een groot artiest van zeldzame echtheid; en wij zien hem aldus, weinige doch sublieme dingen produceerend, en ze vernietigend wanneer een bui van wanhoop het zoo wil, — dan weer werkend voor een kunstkooper, en door dien zich zoo noemenden „vriend" uitgezogen.

Deze kunstenaar met zijn gebroken leven heeft voor den hem zoo oprecht bewonderenden, beminnelijken jongen neef (getuige van zijn laatste levensillusie) een zwak; en ten slotte is hij sterk genoeg,