is toegevoegd aan je favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om, niettegenstaande zijn eigen leven faalt, de mogelijkheid van het geluk te erkennen, en zich aan het mooie vertrouwen er op van Henk en zijn Magda gewonnen te geven. Ten bewijze waarvan hij voor den jongen de heerlijke naaktstudie opnieuw schildert, welke hij eens, toen zij, het beeld van zijn eigen hopen, bedrog bleek, met een mes had verminkt.

Het lezen van dit verhaal was mij een zoo groot genot, dat ik zelfs de meest opvallende gebreken er van niet zwaar kon tellen.

Daar was allereerst de meer dan vreemde compositie, met haar verdeeling in vier boeken, Zomer, Herfst, Winter en I^ente. Nadat het eerste, bijna de helft van de novelle beslaande (88 van de 190 blz.), uitsluitend over de betrekkingen van Henk met de familie Willems gehandeld had, raakte men in boek II en III, waarin gedurig Henk, in zijn verhouding tot neef Henri, den schilder, wordt getoond, op een tè grooten afstand van het aanvankelijke hoofd-milieu verwijderd, — dat trouwens alleen weerkeert in de persoon van Magda, die Henk, zonder eenige voorbereiding, opeens blijkt lief te hebben; slechts om met haar naar Neef te gaan, en van dien ongelukkigen kunstenaar, op hun geluk, zijn aandoenlijken zegen te krijgen.

Het is alsof de auteur wil zeggen: „ik heb er nu genoeg van, mijn kostbaren tijd weg te gooien aan het bedachtzaam en omslachtig ineenzetten van een liefdes-romannetje; dat ik het kan, weet iedereen; en iedereen kan het trouwens, met overleg en vlijt, zelf óók? Henk hield dus, na een poos, van Magda; en daarmee uit. Het is mij om belangrijker dingen te doen; het is mij te doen om de levensles, die uit deze twee levens, van Huib Willems en van Henri de Fouquières, tegenover elkander, te puren valt."

En ik moest denken aan wat de auteur ons mee-