is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stil zijn en de oogen luiken. Het was het vrouwelijk verlangen, om kinderen te hebben, zoete, zachte kinderen, met blond haar en blozende gezichten; en die zij in hare kinderlijke verbeelding niet zag grooter worden, en haar zouden gegeven zijn, lijk 's-avonds de dauw op de beemden zijgt. Want Maria was zeer rein en zuiver van gepeinzen. Zij verlangde zoo smachtend naar 't bijzijn van een eigen kind! Ach, hoe dikwijls heeft zij niet gestaan met tranen in de oogen te droomen, naar de blijde kinderen, die bij avonddaling, zingend uit de velden kwamen."

Zie, dit gelooven wij nauwlijks van een achttienjarig meisje; een achttienjarig meisje, dat zoo „smachtend" verlangt naar een eigen kind, en „met tranen in de oogen" naar de blijde kinderen ziet, zonder dat zij ooit ontroerd werd door een schoonen jongen man (alsof zulk een ontroering on-rein en on-zuiver van gepeinzen zou zijn!) die mist voor ons niet slechts alle bekoring, doch wij gevoelen zelfs een lichten tegenzin tegen het onnatuurlijke, overdrevene en ouwelijke van dit „maagdeken van achttien jaar".

Die tegenzin herhaalt zich, waar Elisabeth Maria geruststelt, „dat ze niet vreezen moest van Jozef, om hem als man te nemen, want dat hij was een heilig man, en die haar reinheid en haar maagdom zou eerbiedigen" enz. „Kom zoete nicht, troost u, het huwelijk is een zegen". „Ja, ja", zei Maria, glimlachend achter heur tranen, „ik geloof het".

Jozef zelf, den goeden kerel met zijn echt-vaderlijk gevoel voor Maria, in 't geheel niet haar minnaar, maar haar eerbiedigen beschermer, dien kunnen wij daarentegen zeer goed zetten. En toch hoopte ik, dat het eind van het verhaal een keer zou nemen, den auteur van Pallieter waardig, en dat ons ten leste Maria en Jozef getoond zouden worden, opglanzend