is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe mooi is weer, in het tweede hoofdstuk, haar gang naar Elisabeth:

„Waarom vlogen de zwaluwen rond haar hoofd en begosten de vogelen met luider kelen te zingen, als zij voorbij de boomen kwam? Waarom sprongen de zilveren visschen telkens boven het water ? En stegen aan alle kanten zooveel leeuwerikken op?

„'t Was al om den Heer ,dien zij in zich droeg, 't was om haar te groeten en te loven, haar, de uitverkorene ..

„Zoo kwam Maria op de Grobbendonksche heuvelen en de sparrenbosschen, waar er konijntjes naar haar kwamen zien".

Bij het bezoek-zelf begint de fijne humor zijn spel, wanneer Elisabeth, de verstandige, deftige huisvrouw, bij al haar vreugde over Maria's begenadiging, het fatsoen, „de eerbaarheid voor 't aanschijn van de menscheo" niet vergeet: „„Maria, ge moet nu met Jozef trouwen". Als eenig antwoord begon Maria te weenen". En wat verder:

„Als Elisabeth dit betoog door vele herhalende woorden Maria had te verstaan gegeven, stond deze op, het een groote zucht van blijdschap en verlichting, veegde de traantjes uit haar oogen en viel nicht Elisabeth om den hals".

Dan volgt het pracht-hoofdstuk van Jozefs bekommernissen, waarbij de vertrouwelijke pastoor, die het zijne wil hebben van de booze geruchten, den goeden kerel „jongen" noemt, totdat Jozef eindelijk het wonder poogt te vertellen: „Als ik daar kwam en Maria pas ontwaarde, zoo viel er over mij een fijne zoetigheid, 't was 'lijk zoete wijn in den mond, en rozen na den regen om mijn hoofd. Het scheen mij heel natuurlijk, dat zij zwanger was, of beter nog gezegd, ik dacht er zelfs niet aan, alhoewel ik het pirmentelijk voor mijn oogen zag. Ik zag haar maar alleen, en voelde iets uit haar over mij gaan,