is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekend had — waarvan hij het bestaan had geleerd door haar"

„Het was laat, toen hij eindelijk opstond. Hij moést Marianne spreken — hij moést haar naast zich hebben, de liefde zien in haar oogen.... x) .. brandde hoog op de trap; in gewoonte-doen

liep hij er heen, draaide het lager. Opeens schrikte hij op door I^ize's stem, angstig, hulp zoekend: „Koen!"

„Wat is er?" riep hij, werktuigelijk terugkeerend.

Zij kwam in haar nachtjapon het portaal op.

„Ik kan Roetjea) nergens vinden", klaagde ze, „o, en hoor het eens regenen! ik ben zoo bang dat hij buiten zit! voor jou alleen komt hij.

„Ik zal m wel zoeken, ga maar naar bed", zei hij gesmoord.

Maar in de stille gang stond hij, de hand aan zijn hoofd.

„Wat had hij gewild en gedacht! Hij wist het meteen; dat was de beslissing, deze kleinigheid.

Zoon kind was zij, dat zij vlak na haar zoogenaamden strijd om zijn bezit, vlak na wat haar het verhes van zijn liefde moest geopenbaard hebben, zich als de natuurlijkste zaak van de wereld tot hèm wendde om hulp bij haar verdriet om een poes. Alsof er niets ergers te gebeuren stond.

Neen.

Zij wist het in haar onwetendheid beter dan hij.

Er kon niets gebeuren. Deze zwakke, meer zijn kind dan zijn vrouw, meer dan hun beider kinderen, was de sterkste door haar argeloosheid, haar hulpe-

1) Men moet goed begrijpen: juist was hij tot de overtuiging gekomen, dat die liefde bestond; gesproken hadden zij nog geen woord • er was nog niets tusschen hen dan ait ééne: dat zij hun wederzijdsche lieide opeens onmiskenbaar begrepen hadden.

z) Het nieuwe katje.