is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een jongen was binnengestapt, die oome's laarzen om te lappen halen kwam en toen hij weg wou gaan, droeg hij ze met de stroppen aan een touwtje en was blijven staan. Hij had ook rooie haren en sproeten had hij ook (in de manier van zeggen is de kindervisie uitgedrukt C. S.) — „Waar kom je vandaan?" had de jongen gevraagd. „Uit Haarlem", antwoordde Jaapje en toen de jongen nog meer scheen te willen weten, had hij gezegd: „Ik ben een Nederlandsch Hervormde wees". „Dan is jouw vader dood", had de jongen gezegd „ik wist wel dat je maar een Haarlemsche mug was, wou jij ook gaan varen voor de leus?" „Dat weet ik nog niet, Amsterdamsche koekvreter", wou Jaapje zeggen, maar de jongen liet hem niet aan het woord. „Ikke wel", hij zei (waarom altijd dat Anglicisme?) „as ik maar mocht van me vader, nou wor ik schoenmaker; da's een vast vak, zeit me vader; als ik oud genog ben, teeken ik voor De Helder, ik laat me geen Mietje noemen; me baas woont in de Binnen Bantammerstraat; er motte halve zolen op en bè je al geweest op de Haringpakkerij ? as je de Haringpakkerij niet heb gezien, heb je niks gezien", en toen had hij naar links gewezen, waar het bruinachtig was in de verte.

„Wi-je dat ik het je wijs, het huys van de Ruyter?" vroeg de jongen, „loop dan met me op, dan za'k je 't laten zien, daarginter; durf je niet?" „Ik mag niet," zei Jaapje. „Da's flauwe kul", zei de jongen, „dat zeggen ze maar om je klein te houden, die Haarlemsche muggen durven niks". „Ik durf wel", zei Jaapje. „Nou, ga dan mee", zei de jongen, „as je dat niet heb gezien, heb je ook niks gezien; ik mot me woord goed doen bij de klanten, heeft de baas gezegd en ik zk je wel weêr an de deur afzetten." Toen was Jaapje met de jongen meegeloopen, die geen Mietje wou worden genoemd als een meisje.

„Een stuk of tien huizen verder was de jongen