is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijven; en maakte ik Quérido een grief van zijn „zult met bruine boonen"? — ik omhelsde hem erom, daar hij met dat exotisch gerecht de Joden-Breestraat midden in Palestina zette.

Ik zal den lezer niet verder vermoeien met de naargeestige verbitterdheid des heeren Van Eyck. Alleen moet ik dezen nog even wijzen op zijn bespottelijke aanmatiging, waar hij mij de figuur van Verwey eens zal gaan verklaren. Hij noemt mij, uit dat „zoo fel verworpen Zwaardjaar", het gedicht Spinoza, „de sleutel tot Verwey's poëzie." Diens gedurige zelf-bespiege ling, beleert hij mij, is niets anders dan schouwen in dat eeuwige wezen, dat Spinoza „God" heeft genoemd.

Om te beginnen heb ik zelf het gedicht „Spinoza"

in „De Gids" geciteerd! Over de cosmische diepte in Verwey's zelf doorschouwing schreef ik, naar aanleiding van den sonnetten-cyclus „Oorsprongen" l), twee artikelen in de groene Amsterdammer van 1897 — toen Van Eyck, ik had bijna gezegd: nog geboren moest worden. Ik was toen negentien jaar. En sinds dien tijd ben ik Verwey zonder ophouden blijven bewonderen, al was ik voor zijn fouten niet blind. Lang voor de jonggestorven Gut teling het in hetzelfde weekblad deed, gaf ik van het edel-schoone Jacoba van Beyeren een uitvoerige analyse, in „De Gids" van 1903. Na dat treurspel liet ik bijna geen bundel van den vruchtbaren dichter onbesproken. En in welken géést ik zijn dichtwerk beoordeelde, het blijkt wel uit dezen volzin, waarmee eens Querido een studie over Verwey besloot: „Ach, heeren Poort Bastiaanse en Scheltema, lees uit Die de boog spant, „Mijn zwijgen", en begrijp het waarom Scharten altijd zooveel voortreffelijke dingen van den „vernietigde" wist te schrijven. Verwey is vaak een groot dichter." »)

!) De Nieuwe Tuin", blz. 15 e. v. a) Letterk. Leven II, blz. 119.