is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\

DE DICHTER P. N. VAN EYCK.

Ik houd niet van menschen, die gaarne zichzelf citeeren; en toch zijn er de gelegenheden, dat ikzelf het gaarne doe. Waaruit onmiddellijk te volgen schijnt, dat mijn eigenliefde dus klein moet wezen, want van menschen die gaarne zichzelf citeeren, houd ik immers niet? Als ik mijzelf dus citeeren ga,' dan moet dat, zou men zoo zeggen, zonder zelfingenomenheid zijn. En inderdaad, ik citeer mijzelf wel eens, niet zoozeer omdat ik mijzelven zoo graag hoor, als wel om wat ik vroeger schreef aan wat ik nu wil zeggen te toetsen, ter onderdanige verantwoordinge aan den lezer, en aan mijzelf

Uit dit labyrintje der bedriegelijke logica kom ik dan tot u, met onder iederen arm een vroegere beoordeeling van den dichter P. N. van Eyck.

Toenjn 1909 zijn eerste bundeltje „De getooide doolhof" verscheen, vroeg ik daarvoor aandacht met enkele bladzijden in het tijdschrift „De Gids", — uit welke pagina's dit de hoofdpunten waren: „Niet een nieuwe stem", hoorde ik, „maar een voor eerste verzen merkwaardige rijpheid". Ik hoorde Boutens, ik hoorde Karei van de Woestijne, beiden van zeer nabij naklinken in zijn vers, en „tusschen de zilveren berusting van den een, en de guldene onrust van den ander", meende ik Van Eyck's sfeer te zien, — „waarin hij zich slechts een wat fijn-persoonlijker vorm (had> te scheppen, om haar geheel de zijne te mogen noe-

!) P. N. van Eyck, Gedichten (Ned. Bibliotheek).