is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doordringt dat droomerig leed-accent, dat wel het zijne mag worden genoemd, menige veel bezonkener en zuiverder bladzijde.

De eerste maal, dat ik hier dien toon weer vernam was op blz. 86 en 87. Op blz. 85 was het gedicht aldus aangevangen:

„Een donkre droom. Ik zat met u En een dien 'k lang niet zag te zaam —

Voor hem na veel vergeten schuw — Te peinzen voor een open raam.

De late stralen vielen schuin.

Door 't venster vloot de geur van vlier En bij de bloemen in den tuin Daar werkte een stille hovenier.

Gij waart mij beiden zeer nabij En toch, hoe onbenoembaar ver Leek van uw ziel de mijne mij,

Het pad zoo wijd van ster tot ster!

Maar toen nam hij zijn instrument En speelde traag

Welk instrument wel was het, dat hij bespeelde? De dichter vermeldt het niet, en de tweede afdeeling zet in:

„Mijn God, mijn God, gaat niets voorbij? Zoo vele jaren zijn gegaan,

En dan, één lied, één melodij,

En alles werd voor niets gedaan.

Daar was geen arbeid en geen leed, Dat vroeger leed vergeten deed,

Daar was maar één oneindig leed. Dat soms zijn oude naam vergeet.

Ik ben die klaagt en speelt en zingt".