is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van déze eenvoudige ervaring is het, dat de geheele •cyclus uitgaat:

„Het voelen van de Liefde is het beste voor mij;"

Het zijn de eerste woorden van het boek. Zij zijn van zulk een roerende „gewoonheid" in de uitdrukking, dat men htm onmiddellijk aanziet den zeer óngewonen ernst, die hier gaande is. En de tweede kwartijn vervolgt (de rijmwoorden „geruste" en „bewuste", voor „gerust" en „bewust", zijn niet eenmaal zuiver, en evenmin rijmen zij zuiver op „beste"), — doch de toon, onverontrust, dringt van regel tot regel dieper in:

„Wanneer ik haar l) maar heb, ga ik geruste, er woont een vastheid door mijn ziel en leden, uit alle smarten stijgt een glans van vrede: dat het zoo góed is, ben ik mij bewuste.

Daarom weet ik dat zij des levens eerste beginsel is, diepste wet van het worden, harteklop van het eeuwige bewegen. Wanneer zij in ons leeft het volste en teerste zijn wij tot harmonie daèrmee gestegen: hoe zouden rust en kracht ons niet omgorden?"

Vanuit deze diepe beleving der Liefde, onmiddellijk herkend als de kern-beweegkracht van alle zijn, verheft zich haar ziel, in vroome aarzeling eerst, in hoopvolle aandacht dan, en eindelijk in de stoutste opvaart, tot in de diepten van het Heelal, tot in de lokkende verten der Toekomst, tot over de grenzen van den Dood.

Het is in dit prachtige, zevende sonnet, dat zij de

*) De Liefde.