is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste maal, vanuit de eigen liefdes-ervaring, tot het vizioen der Al-liefde stijgt:

„Zooals de kleine mosse' en varenplanten in groeiwijze en in vorm het wezen toonen van de rekkende woudreuze' en de kronen machtig zich uitspreidend naar alle kanten, —

Zooals in de zeehoorns met hun getande hartekamertjes fluistrende echo's wonen van de groote stem die haar monotone sussing en lokking werpt naar alle stranden, —

zoo zijn misschien de zachte wellingen der Liefde in ons, haar teedere smachten en milde strekkingen en streelend ruischen,

als eerste dwerggelijke hellingen

van onmetelijk zich heffende krachten,

die door d'oneindigheid stijgen en bruisen."

En desgelijks brengt de ervaring van de wonderkracht der liefde haar tot eene nieuwe aanschouwing van de toekomst, oneindig wijder en warmer dan het verstand alleen vermag te openen, — in de reeks „Met nieuwe oogen". Doch ook reeds in den eersten „Opgang" beproeft de dichteres uit eigen voelen op te wieken tot de algemeenheid. Het moet worden gezegd dat zij, aanvankelijk, niet daarin het gelukkigst is:

„De zachte krachten zullen zeker winnen in 't eind — dit-hoor ik als een innig fluisteren in mij : zoo 't zweeg zou alle licht verduist'ren alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,

dan kan de groote zaligheid beginnen "

en

„Er is niets, wat kan storen