is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't stijgen tot haar. Dit is het zeek're weten:

naar volmaakte leefde stijgt alles mee."

Dit is ontroerend en eerbiedwaardig, om de innigheid der overtuiging; het is niet sterk. Want

„zoo 't zweeg, dan zou ik niet kunnen leven", en „dit is het zeek're weten", — deze zelfde accenten hebben ook de naïeve geloovigen, die tot geen prijs den troost van het hiernamaals verliezen zouden en zich dan paaien met vage gevoelszekerheden.

En evenals die geloovigen, in hunnen hemelzucht, tegelijk het aardsche leven plegen te miskennen en het leven na den dood mateloos te idealiseeren, aan hunne wedergeboren afgestorvenen een plotselinge volmaaktheid toeschrijvend, die wel zonder éénige waarschijnlijkheid of geleidelijken groei bij hun bittere onvolmaaktheid hier-beneden komt aan te sluiten, — zoo miskent de dichteres de bloeiende schoonheid, die dit heden omsluiten kan, en overschat daartegenover, zonder eenigen grond, het feilloos geluk en het feilloos karakter van de menschheid der toekomst.

Zij beklaagt, bijvoorbeeld, al het hongeren, dat door velerlei oorzaak onze harten doen, en zegt dan:

„O wat zal 't droef verspillen en vernielen

der Liefde, bij de gelukkige laat'ren

van onzen machteloos-kranken zin getuigen."

Het is echter de vraag, of de menschelijke natuur, zelfs al werd zij geheel en al goddelijk, geen liefde meer verspillen en vernielen zou, — daar dit immers zoo goed een goddelijke als een menschelijke, en misschien in de menschen een goddelijke, want zeer zeker een gansch den Kosmos beheerschende eigenschap is. Een der volgende sonnetten vangt aldus aan:

„Wij die liefde maar kenne' als troost in treuring,