is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zijl) voelen te gaan tot een nieuw begin al weten zij niet waarvan, — een verwijden;

ik zie ze door der jaren neergang schrijden vredig en allengs wendt zich meer hun zin

tot wat hen wacht en over hen zal komen gelijk de liefde komt over den knaap of 't meisje als 't lichaam rijp is, en de slaap wordt tot een nest van weelderige droomen.

Want de dood is gelijk de liefde is gave der natuur, waartoe wezens rijpen en die moet in eerbiedig niet-begrijpen worden aanvaard, heil'ge geheimenis."

En dit is ten slotte de wetenschap, waartoe de dichteres komt: de dood is de moeder van het nieuwe leven; de liefde is van het nieuwe leven de verwekker ; het mystieke huwlijk van liefde en dood is het geheim en de verklaring van ons bestaan.

En wederom gaat zij uit van het persoonlijk doorleefde: den dood der zeer geliefde moeder, en ik ken weinig in diepen eenvoud aandoenlijker gedichten dan die aanvangen: „Altijd was zij blijde wanneer ik kwam", „Zoo vaak bracht zij mij weg, wanneer ik ging", eindigend met deze geheimzinnig-klare Tegels:

„en daarom is voor mij licht-neveüng om het uur van de donk're over-glijding."

En het gedicht, dat daarop volgt, is al niet minder schoon: het verlangen naar den eigen dood,( in een droom-atmosfeer „amberklaar en honingmild , gelijk de goudene herfstmiddagen zijn,

i) (Die ouder worden.)