is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als Rembrandt, of als den proza-dichter der „Feesten" ?

Intusschen zijn, in welke beteekenis dan ook, de fantasten uitzonderingen onder ons. Het aandachtige indenken en doorvoelen, dat van den doorslag-Hollandschen kunstenaar de beste gave is, mag nog wel een bizonder soort van fantasie heeten, zonder daarom haar bezitter tot een fantast te maken.

En daar staat dus de onbekende „fantast" bij voorbaat min of meer op straat. Inderdaad, want voor zoover hij geen fantast mocht zijn van den kouden grond, is hij er toch zeker een van het internationale asphalt, modieus-luguber of modieus-cynisch, naar den snit van Poë of van Shaw?

Gij vergist u. Deze schrijver die zelfs zijn eigen naam niet weet, deze Nescio, deze fantaseerendeHollander is meer Hollander dan gij voor mogelij kzoudt hebben gehouden .Een fantast echter is hij eigenhj k alleen in zoo verre, dat het hem niets kan schelen, of gij zijn verhaaltjes wilt gelooven of niet. Zijn eigenaardigheid is immers, dat hij „niet weet", wat van dit dwaze leven te den ken, en zoo maakt hij er maar wat van, al naar denluim van zijn nukkigen geest. En heeft gewis die geest zijn vretigden gehad aan allerlei buitenlandsche verneiners, ook Multatuli was een van zijn meesters, en echt-Hollandsch is hij gebleven, als weinigen. Uiterlijk nuchter en onverschillig, heeft hij een zekere ruwheid en in zijn vernuft iets brutaals, zaken, die in den beginne u des te onaangenamer aandoen, daar gij er telkens weer het ongelikte van „den" Hollander in herkent. Maar diezelfde laksche en lompe Hollander heeft in zijn hoekig en slungelig lijf een warm hart, als het er op aan komt; en hoeveel zwaarmoedigheid verzwijgt hij niet, en hoeveel pijnlijk-zacht aanvoelen

van het leven, en hoeveel eigen wonden

In het tweede en derde van dit drietal schetsen heeft deze geest zich het gaafste geuit. „De uitvreter" (d.i. de klaplooper bij vrienden, die het zelf niet heb-